Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uithouden. . ., maar van degenen, die wèl pal zouden staan en reeds als diezelfde Petrus naar 't zwaard grepen om — en dat heette dan heel trouw aan den Heer! — den een of ander een oor af te houwen, ach! hoevelen zijn er van hen niet helden maar bloodaards, lafaards; niet leeuwen maar wezels geweest, hoevelen kozen niet den lijdensweg, maar het hazenpad! En als wij nu een danklied aanheffen, dan mag de doffe grondtoon vooral niet worden gemist; ,,0 God, wees ons zondaren genadig!"

Maar wij hebben al die vijftig jaren met een genadig Koning te doen gehad, en nu oudgedienden en recruten, officieren en minderen op den berg der vreugd aankomen, buige heel de legertros zich neêr met dank in het hart, omdat de zoete hemelklank: „Genade!" dien doffen grondtoon van „zondaren" komt verdringen en het dankbaar stijgt uit gebroken harten: „Hij doet ons niet naar onze zonden en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden." Hij vergeeft en dat geven gaat ver, oneindig ver, Hij slingert de zonden op onmetelijken afstand van ons heen, men kan ze niet meer vinden.

En wordt nu ook de blijde nagalm niet gehoord bij oud en jong, en sterft dit lied ooit uit? Dankbaarheid is de kunstig-gouden draad, die door het christelijk leven heenloopt, het krachtigst protest tegen het „Evangelie der ontevredenheid", altijd en altijd in mineur gezet, het beste middel om hen, die om een dubbeltje minder in de week dadelijk „een zuur gezicht" zetten of „het bijltje er bij neerleggen" „daadwerkelijk" te beschamen. Het metaal van een klok wordt het best onderscheiden aan het geluid. Vogelen openbaren hun aard door hun gezang. Uilen kunnen niet het lied van den nachtegaal zingen en zij begrijpen — wat begrijpt ook een uil? — zij begrijpen nog minder, dat deze vogel in het donker het schoonste slaat.

Dankt, dankt nu allen God! De Gastvrouw staat niet meer ,,in 't harnas", maar zij trok het feestgewaad aan en roept U straks in haar Cantate toe; Gode zij dank!

Of gij dien dank nu wilt uitspreken op het tiensnarige instrument of op de luit met een voorbedacht lied op de harp, dat is mij om 't even, als 't maar is een danken van den Heer. Toen Phrynus met zijne negensnarige lier in Sparta kwam, sneden de Ephoren, de raadsleden, twee snaren door, en Tjmotheus van Milete moest er zelfs vier van zijn instrument verwijderen, want het getal snaren was — zoo klonk het besluit in naam van Terpander — door de Goden nu eenmaal voor goed vastgesteld. Daarvan mocht niet afgeweken worden. Ik zou zeggen: snijdt maar geen enkele snaar stuk, hebt, houdt er zooveel als gij wilt, indien gij maar Hem dankt, die 11 op dezen dag zoo ongekend verblijdt. Laat de snaren van uwe ziel — ik hoop althans, dat gij niet met eene zekere magerheid aan uwe ziel geslagen zijt, waardoor de snaren verroest zijn, ontstemd, onbruikbaar, stuk — laat de snaren van uwe ziel vroolijk ruischen, dan stemmen kunstenaars en luisteraars, ouden en jongen, vaderlanders en buitenlanders samen in dit ééne lied: „één in 't rijk der klanken, één om God te danken, één bij lofakkoord": Halleluja!

Immers, dat is ook ons feestlied en geen is er zóó gewenscht. Wij vieren feest. Maar wat is feest vieren? Feestvieren is terug zien. Feestvieren is vooral naar boven zien. En Feestvieren is dan inkeeren tot zich zeiven en naar binnen zien. En nu vrage ik u: is dit lied, in zijn tweede couplet: „die ons de overwinning geeft", niet als aangewezen, om ons ook te doen juichen: Victoria! Wij zingen, terwijl wij, strijders, op den berg der vreugd een oogenblik adem scheppen en rusten, van eene overwinning, van eene overwinning, die gegeven is, van eene overwinning, die gegeven is aan ons, en daarom: Victoria!

Van eene overwinning. Ja, ziet eens den weg, waarlangs gij afgekomen of liever opgekomen zijt; ziet ze daar strijden die enkelen in het diepe dal, de jonge mannen van het Réveil! Daar ontdekt gij te Brussel dien jongen jurist, in functie bij de legatie Mr. Groen van Prinsterer, later als Staatsman de „Veldheer zonder leger" genoemd. Doch bedrieg ik mij niet, daar komen er nog meer als uit de duisternis op, daar zie ik een Da Costa, een Heldring, een Hasebroek, een Ff.ringa en hoe langer ik staar, hoe meer ik er zie oprijzen voor mijn blik en hoe duidelijker ik hoor dat lied: „Wees niet vervaard, gij kleine stoet! hoe luid des vijands overmoed het zegelied doe schallen!" Immers daar begonnen de van Eiks, de van Oosterwijk Bruijns ook, en de de Liefde's en de Loomans en de Puttelaars, vogels van onderscheiden pluimage, maar van één zang. Daar vatten ze post, om de brug van het Christendom tegen afbrekers en sloopers te verdedigen; daar staan zij met hunne „bezwaren tegen den geest der eeuw," claar heffen zij al vast hun: „Zij zullen het niet hebben, de goden van den tijd," vol geestdrift aan en zij gaan moedig den strijd in. Voorzeker aan lachen, spotten, schouderophalen, hoofdschudden geen gebrek. De aanvang was dan ook klein; vooral het zevensterretje van jongelingsvereenigingen, waarvan de stichtingsoorkonde van het Nederlandsch Jongelingsverbond spreekt, vertoonde zich o zoo bescheiden aan den Amsterdamschen hemel in den tijd van twijfelzucht en ongeloof. En toch, die jonge mannen zijn niet „Veldheeren zonder leger" gebleven: daar staat heel de legertros in den geest na veel klimmen en klauteren op den berg, daar staat, zonder dat het vaandel is ontrukt, de armée van 8000 jonge mannen, in 323 corpsen of regimenten gesplitst, zooals de actieve, actueele, altijd accurate beschrijver der krijgsoperaties, officier Willemse, ons meldt, terwijl de goudglans der overwinning de schare straalt als op het aangezicht!

Sluiten