Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nu zal het dezer dagen wel gezegd zijn, en men zegt het trouwens in schier iederen kring tegenwoordig, dat men zich vereenigen moet. Wat al vereenigingen, zelfs kinderen beginnen er mee, en, merkwaardig, velen der ouderen houden er mee op. Zóó is de cirkelgang in deze wereld. Maar zich vereenigen is de leuze en het zal niet lang meer duren of er moet eene vereeniging komen, die allen omvat, die niet tot eene vereeniging behooren. In vereeniging ligt kracht, maar men moet die kracht niet overschatten. Niet in vereeniging, maar heel alleen heeft Jkzus de wereld overwonnen; niet te zamen, maar ieder der jongeren afzonderlijk won een deel der wereld. En zoo mag nooit eene vereeniging den individu dooddrukken. Deze is er niet voor de eerste doch de eerste is er om den laatste. Marx de socialist zeide terecht: Vereenigt U, en ik zeg U: Christelijke jongelieden vereenigt U. Waartegen en tegen wie? Tegen alles wat onedel, onrein, zondig is; tegen alle machten, die, hoe ook heetend, toch uit den afgrond zijn, machten wier etiket beter is dan heur invloed; en vraagt ge tegen wie? tegen allen, die den naam van den Heer lasteren in woord en daad. Neen, ik maak mij geen voorstelling van een Christelijke Jongelingsvereeniging, die alle gelijkgezinden omvatten zou, laat staan dat zij in heur kring ook zou opnemen die daarbuiten staan. Soms vroeg ik mij wel af: zal het getal leden niet eer minder dan meerder worden. Want de groote invloed op onze jongelieden uitgeoefend, gaat niet uit van onzen kant, maar van de zijde die tegen ons is. En dan denk ik; als er weer eens een feest komt van dezen Bond en iemand met Samuel vraagt: Zijn dit de jongelingen allen ? zal men dan moeten zeggen: er zijn er nog minder dan te voren! Maar ik hoop dat het anders wezen zal dan ik soms denk lettend op wat er om ons heen geschiedt.

Maar als het goed is, dan moeten de kringen der jongelieden, die tot Christus heen willen, zich uitbreiden. Laten ze maar wat ruim wezen in het opnemen van leden; men spreide het net wijd uit, opdat er velen gevangen worden.

Er is gesproken u, feestvierenden bond, vergelijkend bij een boom, van een boom, die zijn takken wijd, zeer wijd uitspreidt. Ik houd dat beeld vast; want het is een goed beeld, al is het niet nieuw, maar ik roep u toe: de takken moeten nog veel machtiger en krachtiger worden en veel meer zich verspreiden, breeder van onder, breeder van boven; de boom moet nog groeien. Maar die alleen op de takken let, dié doet verkeerd. Het oog moet gericht zijn mede op de wortelen. Die moeten altijd meer in de diepte, gij begrijpt wat ik meen. Er moet een innig leven met den Heer geleid worden en het gebed moet de kracht zijn waardoor de vereenigingen bloeien. En al is het getal dergenen die tot u behooren ook klein tegenover hen, die niet de uwen zijn, en al zou iemand spottend vragen: Zijn dit de jongelingen allen ? (iij zoudt dan kunnen antwoorden; Ja, dat zijn ze, maar ze zijn krachtig; niet velen in getal, zooals zij velen zijn die niet tot hen behooren, maar energiek en vol goed vertrouwen.

Ik mag niet veel meer spreken, want de avond is reeds lang gekomen, ons program is zoo rijk en zelfs onze Nederlandsche ooren, die niet spoedig des hoorens moede worden, kunnen toch ook wel te veel krijgen, althans genoeg — en velen (Jwer verlangen naar buiten. Maar dit zal ik nog zeggen; eerstens, o! jongelieden, sluit U aan! Het is-zoo goed, zoo noodig. Het is zoo kostelijk, als de een den ander op den weg helpen kan en helpen zal. Vereenigt u toch, maar vergeet nooit, dat uw kracht zitten moet in uw innige overtuiging en het innerlijk leven. Want de groote strijd tegen zonde en wat dies meer zij, hebt gij te strijden niet als Vereeniging, maar als individu. Doch door uwe Vereeniging kunt gij kracht ontvangen en steun. Van haar keert ge terug, van haar gaat gij uit met nieuwe kracht en nieuwen moed.

En wat vraagt men naar getallen en naar macht? Eliab was groot en machtig, koninklijk van gestalte en David was klein. Maar de laatste heeft Goliath verslagen, en zijn naam dient nog èn door Israëls zonen èn door ons met eere genoemd. Van Eliab hooren we niets meer, behalve het feit, dat hij met zijne andere broeders ten strijde optoog tegen de Eilistijnen. Nu, dit was zijn plicht en misschien ook wel een gedwongen iets. Maar dit deden ook duizenden van Joden met hem. Doch ook staat er, dat hij David berispte, omdat hij, zijns inziens, overmoedig was, toen hij Goliath wilde bekampen. Gij zegt, dit was broederlijke zorg; en als het die geweest is, laat ons dan den man prijzen, die Kaïn's woord tot zijn woord niet maakte. Maar 't kan evenzeer geweest zijn eene zekere jaloerschheid, omdat niet hij den kamp kon wagen tegen den reus, met de hoop op goede overwinning. Nu zou ik niet gaarne de bewering willen uitspreken, dat de leden van dezen Bond den Booze overwonnen hebben, die machtiger is dan Goliath. Maar dit mag ik zeggen: om tot overwinning te komen is voor u de voorwaarde veel gunstiger dan voor de anderen, want u wordt telkens gesproken van, de wapenrusting, waarvan Paulus later zoo heerlijke dingen gezegd heeft en die hij zoo schoon heeft voorgesteld. En als nu anderen eens jaloeisch op hen neei zien, die de kracht der overwinning kennen door de gemeenschap met den Heer, welnu, vergeten ze dan niet, dat het beter is benijd dan beklaagd te worden. Maar nog eenmaal Eliab: zijne dochter huwde met Rehabeam, den man, van wien niet veel goeds gezegd kan worden, Zoo zakte

Sluiten