Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo was het een strijd van worden en vergaan op de Zeeuwsclie en ZuidHollandsche stroomen, een worsteling van land en zee met afwisselende kansen, die eerst in den tijd, toen de bewoners aan het land hun hulp boden en eindelijk door de uitvindingen van de nieuwere techniek sterk gemaakt werden, beslist werd ten gunste van het land. De geschiedenis van dien strijd moest wel in de wapenspreuk der waterbewoners een uitdrukking vinden, en het „luctor et emergo„ik worstel en zwem boven", is geen zinledige plirase voor de geschiedenis van Zeeland.

* *

Wanneer wij ongeveer in de eeuw der Christelijke jaartelling onze blikken wenden op het land ten noorden der Nieuwe Maas, dan zien wij den duinzoom in het westen met zijn boschrijke helling en woudstreek aan den binnenkant, en daarachter het lage, drassige Holland, met zijn moerasbosschen, tochten, kreken en meren doorsneden. Ten noorden van het tegenwoordige Rotterdam zien wij een dergelijk land water in de Rotte, die uit de veenstreken oostwaarts van Den Haag voortkwam, en in het noorden vinden wij een tegenhanger daarvan in den Amstel, die zijn water loosde in een der waterarmen, welke zich van het meer Flevo naar het westen uitstrekten, en het geheele noorden van het tegenwoordige Noord-Holland met een onregelmatig net van meren, zeearmen en plassen doorsneden, het land in een reeks van eilanden oplossend.

Tusschen het IJ en de Nieuwe Maas zien wij uitgebreide plassen. Het latere Haarlemmermeer is in wording en bestaat uit kleinere meren, in hoofdzaak een viertal, die door armen met elkander verbonden zijn; andere meren, overblijfselen van de oorspronkelijke lagune, waar die door toevallige omstandigheden niet dichtgegroeid is, breiden zich uit door den afslag der oevers.

Een groote, breede waterstroom stuwt zijn wateren nog naar het westen en doorstroomt van het zuidoosten van Utrecht Holland in eenige armen. Niet ver van het oude Trajectum splitst de rivier zich in een drietal takken: een naar het noorden: de Vecht; een naar het westen: de Oude Rijn, en een naar het zuidwesten: de Hollandsche IJsel.

Nu eens traag en kalm, dan weer bruisend en schuimend hun overvloed van water voortdrijvend, te snel en te veel, om geregeld door de zee te worden opgenomen, stuwden die wateren op tusschen de rivieroevers, deze overstroomend en niet zelden een uitweg zoekend naar het noorden en zuiden. Bijna geregeld eiken winter zag men hetzelfde verschijnsel, en aan dit proces, gedurende eeuwen herhaald, danken Holland en Utrecht hun strooken van rivierklei langs genoemde wateren, 't Is de schatting, die Vader Rijn aan de Neder-

Sluiten