Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zooals blijkt uit dc taxatie van 1343 van der „huislieden goed", waarbij Den Haag no«»' beneden Monster stond. In 1316 moest zelfs Allard, den „hoeper van Delft", gehaald worden om „de vaten van der koken en den brouhuse te binden", waaruit valt af te leiden, dat er destijds nog geen kuiper in Den Haag woonde en dat het aldus nog een onbeduidend dorp moest zijn.

Graaf Jan I, de laatste uit het Hollandsclie Huis (129G—1299), was de eerste, die zijn hof voor goed in Den Haag vestigde, en de Graven uit het Henegouwsche en Beiersche Huis hadden, als zij in Holland vertoefden, nergens zooveel hun woonplaats als hier.

In den tijd van de heerschappij der Graven uit het Beiersche Huis nam het aantal bewoners in Den Haag toe, toen genoemde vorsten meer bepaaldelijk in deze plaats hun residentie gevestigd hadden, zooals ook blijkt uit de vermeerdering van het aandeel, dat de plaats in de „lentebede" betaalde. Het slot moest wegens de uitbreiding van het aantal edellieden in het gevolg van den Graaf vergroot worden, en daar de behoefte aan verschillende bedrijven dagelijks meer en meer gevoeld werd, zetten velen, met het uitzicht op winst en voordeel, zich in de buurt van het slot neder. En het was onder Hertog Albrecht (1404), dat voor het eerst de grenzen van deze plaats werden bepaald en eenige voorrechten werden verleend ter bevordering van den aanwas en den bloei van het nieuwe „dorp van den Haglie." Stedelijke rechten verkreeg Den Haag wel niet, doch het waren voorrechten, welke den „buren" werden verleend en die zij eertijds niet bezaten.

De titel van Den Haag bleef nog die van „dorp", of van „dorp en vrijheid"; soms wordt er gesproken van Ambachte of Dorpe, maar eveneens schreef men „Vlekke" en zelfs „Stede," hoewel er nooit eigenlijke stedelijke rechten verkregen werden. In overeenstemming met deze benamingen werd in de lGe eeuw niet gesproken van het Dorphuis of Rechthuis in Den Haag, maar van een Raadhuis, soms van een Stadhuis. Hieruit moeten wij afleiden, dat het geograpliisch begrip van een stad in dien tijd (1533) reeds vaststond, hoewel volgens het staatsrechtelijk begrip Den Haag niet een stad mocht heeten.

Den Haag is ook altijd een open vlek zonder bemuring gebleven en werd des nachts slechts afgesloten door hekken en "draaiboomen. Men vond deze op het Spui, voorbij de Langegracht, in de Wagenstraat omstreeks het Padmoes, op het Westeinde, eerst bij de Vleersteeg en later bij de Westermolens, bij de Scheveningsche brug, aan het eind van de Hooge Nieuwstraat en bij de Boschpoort, aan het eind van de Molenstraat, bij de Prinsenstraat en aan de Poten.

De uitbreiding van Den Haag, eenmaal aangevangen, ging verder. 'tWas wel geen handel, die hier tot bloei kwam — daartoe lag de plek niet gunstig maar toch bracht de toenemende bevolking in de hofstad ook de nijverheid tot

3*

Sluiten