is toegevoegd aan uw favorieten.

Van Eems tot Schelde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

breidde Den Haag zich uit, eerst langs de wegen, die zich naar alle zijden als armen uitstrekten in het land, en langzamerhand aanvullend de tusschenruimten tot een gesloten huizenmassief.

Wij schrijven geen geschiedenis van de residentie, doch wezen enkel de hoofdfeiten uit haar ontwikkelingshistorie aan, voor zoover dit binnen de grenzen van ons bestek kon geschieden. Daarom kunnen wij ons niet met alle bijzonderheden der uitbreiding bezighouden, doch enkel de hoofdlijnen aangeven.

De uitbreiding van Den Haag in de zestiende eeuw was niet aanzienlijk en werd nog afgebroken door een treurig tijdperk van ellende, waarin de stad in 1574 verkeerde gedurende den tijd van de onlusten en beroerten in deze landen. Zelfs dreigde een oogenblik een zware slag, toen het schoone Haagsche bosch, welks geschiedenis wij nader zullen verhalen, op den index der vernielingwerd geplaatst. Het voorstel daartoe werd, naar aanleiding van den treurigen loop der tijden, gedaan door den Prins van Oranje, doch kwam gelukkig niet tot uitvoering.

*

* *

Na die onrustige en onzekere tijden braken betere dagen aan, toen de zon der Nederlandsche vrijheid boven de kim verrees. Nadat dit gedeelte van Holland van den Spaanschen vijand was bevrijd, begon men er aan te denken, den zetel van het bestuur weer over te brengen naar Den Haag, de plaats, waar 's lands vorst en met hem de voornaamste staatslichamen steeds verblijt hadden gehouden.

Een bezwaar rees hiertegen op, nl. dat de plaats geheel open lag en hoegenaamd geen verdedigingsmiddelen bezat. Men had er in 1573 over beraadslaagd, om hierin verbetering te brengen, doch de inval van den Spaanschen vijand had de beraamde plannen in duigen geworpen. Nog kwam men terug op die plannen in 1600, toen Prins Maurits den 4c1en Mei van dat jaar aan de Gecommitteerden der Staten van Holland een ontwikkeld plan daartoe inzond en subsidie hiervoor aanvroeg. De Staten verleenden machtiging, maar meenden, bij den treurigen toestand der geldmiddelen", geen subsidie te moeten verleenen. Op den 6den Juni 1600 werd door de regeering besloten, Den Haag te versterken door vesten, grachten en poorten. Van 1615—1617 werd zelis met het graven der grachten, die de stad zouden omsluiten, aangevangen en later met het maken der borstwering achter de grachten, welke arbeid in 1629 reeds gestaakt werd. De „Hooge Wal" is nog een overblijfsel van dat werk.

De plannen, om Den Haag tot een vesting te maken, kwamen telkens w eer ter sprake, o. a. in 1635, toen de stad met een inval bedreigd werd en zelfs het