is toegevoegd aan uw favorieten.

Van Eems tot Schelde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In het begin der 14° eeuw besloeg' liet grafelijk Hof een oppervlakte van ongeveer 13/4 H. A. Dit terrein was aan alle zijden, behalve aan de noordzijde, waar destijds waarschijnlijk de Hofvijver reeds gegraven was, door wallen en grachten omringd. Midden op het plein stond de Zaal; aan de oostzijde grensde hieraan het oude kasteel van Willem II, aan de noordzijde, nabij den vijver, zag men de toen nog zeer kleine, aan de Heilige Maagd gewijde kapel, benevens waarschijnlijk eenige andere gebouwen. Deze gebouwen waren, zoo al niet reeds in dien tijd, dan toch spoedig daarna, door middel van een overdekte gang, de zoogenaamde „Witte galerij", ter plaatse van de tegenwoordige middelste poort, met de Zaal verbonden. De Graaf met zijn gezin konden zich aldus, zonder het plein te betreden, uit hun kamers naar de kapel begeven.

Aan de noordzijde van het Binnenhof werd ook het kwartier gevonden, waar de stedehouder van den Graaf gevestigd was. De laatste, die als stadhouder van den Graaf over Holland en Zeeland regeerde, was Prins Willem van Oranje. Ook na de afzwering van Filips bleef het ambt van stadhouder in wezen, doch met veranderde beteekenis. De stadhouder kon thans niet meer als de vertegenwoordiger van den afwezigen souverein, den hertog of graaf, beschouwd worden, maar was eerste dienaar van de Staten met verschillende rechten uit vroegeren tijd,

Daar het ambt van stadhouder allengs liooger beteekenis verkreeg in de bloeiende Republiek, werd ook het kwartier van den stadhouder uitgebreid, en tegen den noordwestelijken walmuur werden gebouwen opgetrokken, die voor het gebruik van den stadhouder dienden.

Prins Willem van Oranje hield voor 1567 meest zijn verblijf te Brussel en later in het St. Agathaklooster te Delft. Doch Prins Maurits vestigde zich na 1585 in het stadhouderlijk kwartier op het Binnenhof. Daar de localiteit hier niet voldoende was, werd van 1620—21 langs den westelijken walmuur een nieuwe vleugel gebouwd, 32 meter lang. Deze vleugel werd door de oude poort, die toen verplaatst werd, in tweeën gescheiden, en aan den binnenkant van den vleugel werd een overwelfde galerij aangebracht, op Toskaansclie kolommen rustend.

Ten behoeve van Frederik Hendrik, die in 1625 het stadhouderlijk kwartier had betrokken, werd in 1635—'36 het benoorden den toren aanwezige hoekhuis gebouwd. Aldus werd het Binnenhof later uitgebouwd en omsloten, al naar de behoeften, en verkreeg ook het stadhouderlijk kwartier uitbreiding, terwijl het in 1689, nadat Willem III Koning van Engeland was geworden, een tijdlang „Konings-kwartier" werd genoemd.

Wij mogen niet langer stilstaan bij alle veranderingen en aanbouwingen, welke hier aangebracht werden; wie ze uitvoerrig wil leeren kennen, verwijzen wij