Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zalen en groote kostbaarheden. Rijk schilderwerk en fraaie meubelen maakten het paleis beroemd, zoodat het de bewondering wekte van Maria de Medicis.

Na den dood van Frederik Hendrik werd het paleis betrokken door zijn weduwe Amalia van Solms, die het bleef bewonen en met vele prachtige schilderstukken, waaronder van Rubens, verrijkte. Na haar overlijden stond het paleis een tijdlang ledig en sedert het kinderloos overlijden van Willem III, den Koning van Engeland, werd het ter beschikking gesteld van Koning Frederik van Pruisen, die er zijn gezanten liet wonen en er zelf ook enkele malen vertoefde. In 1714 strekte het tijdelijk ten verblijf aan Koning George I van Engeland en zijn zoon, den Prins van Wales. Later, in 1754, werd dit gebouw weder teruggekocht van Pruisen en behoorde het tot de goederen van Stadhouder Willem V, totdat het ongelukkige jaar 1795 deze bezitting van den Stadhouder aan de Franschen verbeurd deed verklaren, die bij het tractaat van „vrede en vriendschap", dat den lande honderd millioen kostte, het paleis aan de Republiek overdroegen. Na 1814 werd het Oude Hof weder bestemd tot paleis van den Souvereinen Vorst, later Koning Willem I, en is sedert het Koninklijk Paleis gebleven, maar als eigendom van den Staat. De rijkdom aan meubelen en versieringen, welken men er vóór 1795 in vond, is grootendeels verloren gegaan in de dagen der omwenteling.

Met den bouw der prachtige stallen en koetshuizen, welke tot het Paleis

behooren, en die koninklijker zijn dan het Paleis, werd in 1876 aangevangen. *)

Van het Paleis op het Noordeinde komen wij weldra in het Lange Voorhout, of gewoonlijk alleen Voorhout genoemd, een breede wandellaan met statig lindengeboomte en omringd door vele deftige huizen der aristocratie.

Aan het noordeind van het Voorhout verrijst thans het Vorstelijk Paleis van H. M. de Koningin-Moeder.

Een gedeelte van het Voorhout behoorde reeds in 1343 met den Vijverbergtot een der vijf buurten, waarin -Den Haag toen verdeeld was, nl. tot die buurt bi Noirdenhout. Vooral verkreeg deze breede weg een aangenaam uiterlijk, sedert Karei V hem in de 16e eeuw met lindeboomen had doen beplanten. Toen werd hij de „playsantige Voorhout", zooals Bor zegt, „zoo magnifielijk met schoone lindeboomen overschaduwd, zoo lustig en vermakelijk, om in te wandelen, bijzonder

') Wij hebben bij de beschrijving der Rijksgebouwen dankbaar gebruik gemaakt van het rapport van den heer G. II. Peters Rijksbouwmeester, over deze gebouwen.

Sluiten