Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met boomen beplant en daardoor considerabel verbeterd; ook van dat huis tui aan Haagsche Schouw was de weg voor kort nog opgehoogd. Wel is waar lag de zoogenoemde „Zandzee" gul en mul, „maar overigens kon van het Schouw tot Den Haag toe worden gedraafd, behalve als het 's zomers veel regende." Zou er dus een straatweg noodig zijn, waar de behoefte zoo klein en de nadeelen zoo vele waren ?

Aldus luidde de algemeene opinie, nog geen anderhalve eeuw geleden. Doch keeren wij terug tot onze beschouwing der landstreek.

Het lag voor de hand, dat de aanzienlijke bewoners der residentie op dezen zandgrond hun buitens deden verrijzen, die zich aan de westzijde van den weg aansloten bij de voorheuvels der duinen, hier nog in enkele hoogten uit de geestvlakten oprijzend, terwijl aan de oostzijde de meer effene geestgronden met schier onmerkbare helling overgaan in het laagveenland, dat evenwel door het langdurig uitvenen in een polderland van droogmakerijen is veranderd. Alleen enkele lage verheffingen van den bodem ten oosten van den straatweg, zooals bij den Beukenhorst en den Eikenhorst, wijzen er op, dat zich hier sporen van binnenduinen bevinden, welke ten noorden van Leiden tot Haarlem echter beter uitkomen.

Deze gesteldheid van den bodem deed in de streek langs dezen weg op natuurlijke wijze bosschen en bosschages ontwikkelen, zooals wij vroeger mededeelden, en ongetwijfeld verhieven zich hier in den oudsten tijd natuurbosschen, afgebroken door open plekken. Kon het anders dan dat de rijkdom der hofstad deze streek, waar jachtvermaak lokte en een schoone natuur door heuvels en vlakten in schilderachtige afwisseling bekoorde, uitkoos, om er sierlijke buitens aan te leggen ? Eerst langzamerhand geschiedde dit, vele verrezen pas in de achttiende eeuw.

Zoo is het grootste gedeelte van den weg van het Haagsche Bosch tot het huis Den Deyl een schier onafgebroken aaneenschakeling van groote buitens geworden, welke zich nu eens aan de eene, dan weer aan beide zijden van den weg uitstrekken. Hier luchtig, vol zon, met open grasvelden, daar in het dichte, donkere woud verscholen, soms het bosch weer tot parken aangelegd, dan weer meer de vrije natuur gevolgd, nu tusschen jong hakhout, dan onder zware beukenlanen, ginds met schilderachtige waterpartijen met bloemperken en heesters, zoo is deze weg een der schoonste wegen des lands, een guirlande van natu urbekoorlij kheden.

De nabijheid der hofstad, het centrum der diplomatieke geschiedenis ge durende vele eeuwen, waarlangs de draden van zooveel wereldgebeurtenissen geleid werden, deed de buitens aan dezen weg niet zelden de verblijfplaats worden van geschiedkundig bekende persoonlijkheden, die hier in de stilte der natuur den loop der wereldhistorie bestudeerden of trachtten te beheerschen.

Sluiten