is toegevoegd aan uw favorieten.

Van Eems tot Schelde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Huygens was zoozeer met zijn „Kluisken", gelijk hij het noemde, ingenomen, dat hij nog bij uitersten wil voor het onderhoud zorgde : de hofstede moest volgens testamentaire beschikking in het gemeenschappelijk bezit zijner zonen blijven, die voor het houtgewas moesten zorgen, „ende insonderheyt de Eiken Boomen sorgvuldigh hebben te eultiveeren ende onderhouden, ende tot haere volkomen perfectie laten opwassen." Hofwijck was des dichters lievelingsverblijfplaats; doch als de Prins in de Residentie was, kon hij hier slechts enkele dagen gemist worden. Maar gelijk een schooljongen verlangde de geheimschrijver naar den Zaterdag, 0111 van het buitenleven te kunnen genieten.

„Beminde Zaturdag, zijt ghjj nog ver van komen?

Spoed toch en help mij weer aan Hotwijcks soete droomen,"

roept hij verlangend uit.

HOFWYCK

Terwijl Huygens er dus vroeger slechts nu en dan eenige dagen doorbracht, kon hij, toen zijn zoon Constantijn hem als vorstelijk geheimschrijver was opgevolgd, zijn zomerverblijf voor goed op Hofwijck vestigen. Daar leefde hij toen geheel voor de gezelligheid en zijn lievelingsuitspanningen; daar leeren wij hem kennen in al zijn beminnelijkheid, en 't verwondert ons niet, zegt Jonckbloet, dat de reizigers, die zijn kluis voorbij voeren, het gewone schuitepraatje afwisselden met de opmerking, dat de „Mann op Hofwijck wijsselick gedaen" had met daar een rustplaats te kiezen „van lange slavernij" en er bijvoegden:

Hij heeft er voor geploeght,

En, als hy ploegende syn' Vorsten had vernoeght,

En 't Vaderland voldaen, en niemant uytgesopen,

En niemands voordeelen met listen onderkropen,

Den vromen voorgestaen, besehoncken en gevoedt,

Den boosen 't hoofd gebo'en, een Christelick gemoed In 't Christeloos gewoel van Haeg en Hof behouden!