Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bisschoppelijke abdij van Egmond overtroffen die van Rijnsburg, maar de kloosters te Leeuwenhorst, Loosduinen en andere stonden verre bij haar in rijkdom ten achter.

Ook was het bij de vroomheid van het nonnenleven geenszins somber binnen Rij nsburgs klooster muren, waar dikwijls graven en edelen te gast werden ontvangen, en waar banketten en danspartijen werden gehouden. De cellen waren er geen naakte, schier van elk gemakkelijk meubel verstoken vertrekjes, maar nette boudoirs. En niet zelden kon men de Juffers" van Rijnsburg zien spelevaren naar Den Haag, Leiden, Noord wijk en Boskoop, om daar een vroolijken dag te houden.

't Was in de abdij niet doodsch en naar,

Noch stil en eenzaam dag en nacht;

Niet altoos werd aan 't hoogaltaar De tijd met bidden doorgebracht;

Men zat niet neer in mijmering,

Totdat men zuchtend slapen ging,

zingt Tollens, en hij vervolgt:

Als 't lieflijk weer tot uitgaan drong,

Dan — spoedig eerst een schietgebed;

En zie! daar zit met éénen sprong Het gansche klooster op 't genet;

De blanke vingers reppen thans De rijzweep voor den rozenkrans.

En spoorslags ging het in galop De velden over, door het woud,

De zandzee in, de duinen op,

En in en door het Haarleinsch hout,

Totdat men moe en afgemat Te Teylingen te hijgen zat.

Maar aan die genietingen des levens werden geenszins alle rijke inkomsten der abdij besteed.

Want was ef lust en levensvreugd En dans en zang en feestgeschal,

Er was niet minder christendeugd En wel de schoonste deugd van al:

De lof was door het land verspreid Van 't klooster der liefdadigheid.

Hoewel in den tijd van Keizer Karei V de macht der abdij reeds verminderde en het gezag der abdissen meer schijn was geworden, toonde toch ook deze vorst

Sluiten