is toegevoegd aan uw favorieten.

Van Eems tot Schelde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog allen uiterlijken eerbied voor de liooge vrouwe. Toen de Keizer in 1537 van Haarlem naar Den Haag reed, werd hij, volgens een oud verhaal, te Oegstgeest door de abdis Maria van Tautenberg aan het hoofd liarer geestelijke dochters opgewacht. Zoodra de vorst haar zag, steeg hij uit den wagen, ging de geestelijke vrouwe tegemoet, viel op zijn knieën ter aarde en noemde haar „mijn gebiedende vrouwe van Rijnsburg", waarna de abdis hem ophief, onder de toejuiching der aanschouwers. Potgieter laat de gebeurtenis door een ooggetuige aldus verhalen:

Heil d' Abdisse! 'k Ben te Oegstgeest,

Toen de Keizer kwam van 't feest,

Bij d' ontmoeting ben 'k geweest Van die machtigen der aarde!

Uit een wolk van stof verscheen Hjj — zijn hofstoet om hem heen,

Paadjes, Eedlen, Ridders — Neen!

Ik zag hem slechts, en nog één,

Zij te paarde.

Buigend trad hjj haar te moet Van zijn wagen; — bij zijn groet Wuifde langs haar kleinen voet

De eele, hagel witte veder,

En de wereldheerschappij Boog zich voor de kloosterpij „Mijn gebiende vrouw!" sprak h\j,

Knielend op de slinke; zij

Bukte neder.

„Rijs toch, Heer!" Hij rees niet op;

Maar om 's kleppers trotschen kop Langs den gouden zadelknop

Zwierden reeds de zijden toornen;

„Rijs!" herhaalde ze, en haar hand Hief den Keizer uit het zand.

„Leev' de Abdis!" van allen kant Galmde 't weer, daar 't volk van 't land • Toe kwam stroomen.

„Leve Karei!" en haar paard,

Zulk een meesteresse waard,

Strekte ootmoedig zich ter aard;

Zij zonk neder in den zadel;

't Steigerde op en brieschte luid.

Doch wij mogen niet langer vertoeven in den kring der schoone dagen van de abdij in haar welstand. Wat is er van die heerlijkheid geworden?