Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar zag men Geertruida Toussaint uit Alkmaar, Potgieter uit Amsterdam, Beynen uit Den Haag en Beets met zijn Aleide uit den huize Nijenburg dikwijls verschijnen, met vrienden als Hofdijk, Beeloo, Brill, Kneppelhout, Gewin, van Lennep, Bakhuizen van den Brink en Willem de Clercq. In deze pastorie bracht Potgieter den jeugdigen dichter er toe, zijn gedachten en droomen niet enkel in rhythmischen vorm uit te spreken, maar ook in ongebonden vorm; in de pastorie van Heiloo werd „Jonathan" geboren en zag zijn eersteling van „Waarheid en Droomen": „De Haarlemsche Courant", in 1840 het licht. „De nevel van zwaarmoedigheid, die over de gedichten van den student scheen te zweven, is opgetrokken. Er straalt in Jonathan's studeervertrek een heldere zonneschijn, die somtijds door grillige wolkgevaarten een poos wordt onderschept. Rijpere levenservaring, weemoedige berusting, nieuwe hoop en nieuwe vreugde bezielen hem," zegt ten Brink. En wij vragen ons af, als wij hier rondwandelen in deze heerlijke natuur, of die niet een element was in de fris-

sehere ontwikkeling van Hasebroek's talent?

*

* *

Wij verlaten Heiloo door de bosschen van het buitengoed Nijenburg, de eigendommen van Jhr. Foreest, die men in alle richtingen kan doorkruisen, en waar aan den achterkant menig verrukkelijk uitzicht geopend wordt over de vlakke, als weiden gebruikte geestgronden, met den duinzoom op den achtergrond.

In deze bosschen zwierf Beets dikwijls rond in zijn jongelingsjaren, toen hij op Nijenburg zijn bruid zocht en er later vaak logeerde, en menige natuurbeschrijving in poëzie en proza herinnert aan de Kennemer oorden.

De Willebrorduslaan leidt naar een hoogte, welke de Preekstoel heet; de overlevering verhaalt, dat Willebrordus hier gestaan heeft, om zijn gemeente te onderwijzen en het evangelie te prediken, terwijl hij langs genoemde laan* met

zijn hoorders derwaarts ging.

't Is een klassieke plek in onze beschavingsgeschiedenis. Daar, in de schaduw van een veeljarigen eik, zien wij in onze gedachten in het begin der 8 eeuw den man staan, die met een door overtuiging krachtige stem in den tempel der natuur de blijde boodschap der broederschap bracht onder de Kennemers. En van alle zijden stroomen ze toe: de landheer en de dienaar, die zijn ossen leidt voor den ploeg, de edelvrouwe en de vrouw van den geringsten hoeveling, zij staan hier naast elkander of zitten op het mosbed, om te luisteren en gesticht te worden, 't Is de morgen van een nieuwen dag, die aanbreekt. Niet alleen wordt hier een nieuwe godsdienstleer gepredikt, maar tegelijk met deze komen

Sluiten