Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Men spreeckt int banghe zuydt, en in het swoele Westen,

In 't killend Noordt, maer van den omtreck van u vesten,

Die tienmael meerder is als over dertich jaer,

En daghlycks nogh vergroot, zonder te weten, waer En wanneer (God zy lof», de wasdom eens zal stuyten."

aldus roemde Coster den aanwas van Amsterdam.

Zoo zag men, dat de plannen niet te groot waren geweest.

In 1658 werd het overige plan der stadsuitbreiding van 1609 reeds aangevangen, en de vergrooting der stad van de Leidschestraat tot Kattenburg en Funen werd langzamerhand voltooid. Men ving den bouw in 1660 aan op Kattenburg,

De Groote Yleeschhal te AmsterJam.

eigenlijk Kadenburg; in 1662 werd aan het andere eind begonnen met bouwen, op de Heerengracht bij de Huidenstraat, en in 1672 wras de helft der vergrooting, het deel tusschen de Leidschegracht en den Binnen-Amstel, reeds geheel volgebouwd. In 1673 werden de huizen aan de Weesperstraat gebouwd, maar verder kwam men voorloopig niet over den Amstel. Bij de Muiderpoort werd in 1682 op het beschikbaar terrein door de stad de Plantage aangelegd, daar toen de toeneming der stad scheen tot stilstand te komen. Door deze verschillende uitbreidingen had de stad een oppervlakte van 726 H.A. verkregen.

Door deze laatste vergrooting verkreeg Amsterdam de gedaante, welke de stad ongeveer tot het midden der 19e eeuw aan de landzijde behield. Aan dien kant was de stad van 1611—1615 en later van 1660—1664 door sterke muren en

Sluiten