is toegevoegd aan uw favorieten.

Van Eems tot Schelde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wallen omringd, die meest in de eerste helft der 19e eeuw werden gesloopt. De laatste muren vielen in 1870 en alleen de Muiderpoort is nog blijven staan uit dien tijd, als een eenzaam, machtig bouwwerk, dat zich in die omgeving van moderne straten niet thuis gevoelt.

Aan den kant van het IJ onderging in de 18e eeuw Amsterdam nog uitbreidingen door den aanleg van het Maritiemdok van 1790—1795, waardoor de oppervlakte der stad tot 738 H.A. steeg.

Nu volgde er een periode van stilstand en zelfs van achteruitgang in Amsterdams ontwikkelingsgeschiedenis als stad. De Fransche revolutie in 1789 sleepte ook de Nederlanden in den zwijvelroes der vrijheidszin mede, en verder in de oorlogen, vele daaruit voortvloeiden. De Oost-Indische Compagnie, waaraan Amsterdam zoo welke rijkdommen te danken had, ging te niet en zelfs gingen onze koloniën verloren ; de Nederlandsche handel hield schier geheel op in den tijd van het verlies onzer onafhankelijkheid. De havens lagen ledig; de kaden werden met gras begioeid; de pakhuizen waren gesloten, en het onophoudelijk onrustige leven in het handelsgedeelte had plaats gemaakt voor doodsche rust en terneergeslagenheid. De stad ontvolkte meer en meer, en het aantal inwoners, dat in 1796 ongeveer 217,000 bedroeg, daalde onder Koning Lodewijk tot ± 207,000, en sedert verlieten nog meer bewoners de wegkwijnende wereldstad, zoodat de bevolking in 1814, het jaar van de herstelling onzer onafhankelijkheid, tot 180,000 was gedaald. Vele huizen en pakhuizen op de eilanden (Kattenburg, Wittenburg en Oostenburg) en in de Jordaan stonden ledig, enkele stadsgedeelten kwamen in verval.

De tijd na 1814 was een periode van inspanning voor den Nederlandschen handel en de scheepvaart, om het verloren terrein op de andere natiën, die ons hadden verdrongen, te herwinnen. Doch tevens was het een tijdperk van veel teleurstelling. Het waren nieuwe tijden geworden, maar de handel klemde zich nog te veel vast aan het verleden. De tijd der Compagnie stond den handelaren steeds voor den geest, en te veel werd vergeten, dat men andere banen moest volgen, met nieuwe inzichten rekening diende te houden. Eerst langzaam kwam Amsterdam weder tot vooruitgang gedurende de 19e eeuw en ook in den loop der bevolking der stad spiegelt zich dit af. Wij zullen die door cijfers aangeven.

De bevolking van Amsterdam bedroeg in 1796: 218,034, in 1811: 201,628, in 1815: 180,179, in 1830: 202,364, in 1840: 211,349, in 1850: 224,035, in 1860: 243,304, in 1870: 264,694, in 1880: 317,011; in 1890: 408,061, in 1896: 456,357, op 1 Jan. 1897 : 494,224 (door de grensregeling met Nieuwer-Amstel, Sloten en Diemen was een bevolking van ± 31,000 zielen in dit jaar uit genoemde