is toegevoegd aan uw favorieten.

Van Eems tot Schelde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het uitwendig voorkomen vormt een groote tegenstelling met den voorbeeldeloozen luister van het inwendige, met de rijke decoraties in kleur en relief. Grootscher en schooner binnenruimten worden zelden ergens gevonden 5 men doorwandelt uitgestrekte corridors, geheele reeksen statige vertrekken en indrukwekkende feestzalen, schier onophoudelijk verrassingen aanbiedend door den keurigen rijkdom der architectonische en plastische stoffeering. De beeldhouwkundige en schilderkundige opluistering van het Stadhuis, die aan de leiding van den onvolprezen Antwerpschen meester, Arthur Quellinus, was opgedragen, en waaraan Bosboom, Jordaan, Govert Flinck, Ferdinand Bol en anderen medewerkten, vormt mede een der grootste schoonheden van dit gebouw.

Doch helaas! dit schoone gebouw, dit voortreffelijke gewrocht van hoog denken en diep gevoelen, dat een vroeger geslacht aan de zorg van een bevolking en haar bestuur, tot een roem en een vreugde, tot een herinnering en een leering achterliet, ligt thans te midden van de drukke stad, meest eenzaam en verlaten, somber en zonder licht, aan zijn bestemming onttrokken, ten deele verknoeid tot een Paleis, waarvoor het niet bestemd was.

„Zalen, waardig de bewondering te zijn van Europa, door schotten in stukken gedeeld. Wanden, door schoone verdeeling van vlakken en lijsten, modellen van bouworde, omlijnd en doorbroken tot een bespotting van den schoonheidszin. Vloeren, zuiver bewerkt uit marmer, ingelegd met figuren van koper, verborgen onder ruwe, houten planken en kleurige, Deventersche vloerkleeden. Ommegangen, bewonderenswaardige wandelplaatsen, eigendom van een bevolking, door marmergeschilderde schotten en lijsten afgehokt tot donkere kamers. Maar hoe schandelijk dit alles is, weet ge ook uit mijn woorden niet."

Zoo spreekt de dichter Albert Verwey zijn verontwaardiging uit over de mishandeling van dit gebouw. Doch hij komt tot des te dieper en vuriger bewondering van de kunst, die daar verborgen is.

„Wat beeldhouwwerk! Ik heb met innige aandacht in Amsterdam, in het Stadhuis op den Dam, een beeldhouwkunst bewonderd, die ik zoo niet kende. Beelden, groot door hun behandeling van levende lichamen. Tafereelen, boeiend door kracht en zuiverheid en genietende verbeelding. Friezen en lijnen, geestig en fijn en openhartig — zoodat het vooroordeel tegen het barokke, dat den stijl eigen mag zijn, ontdooide onder den warmen adem van waarlijk menschelijk medegevoel. En al deze beeldhouwkunst, o stadgenooten, die openbaar moest zijn en een geluk en een les voor u en uw kinderen, niet enkel, dat zij in een gesloten, onbewoond huis er eeuwen lang aan onthouden is, neen, verhondscht en gehoond is ze achter schotten en hokken en lichtbenemende ramen, zoodat men soms als een dief voor een glazenkast sluipen moet, om achter de ruiten de schoonste scheppingen te zien.