is toegevoegd aan uw favorieten.

Van Eems tot Schelde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoutdeeltjes in het veen achterlieten »). De bruisende en schuimende wateren dei zee, in vereeniging met die der riviermonden, sloegen groote gedeelten van hot reeds gevormde laagveen uit het deltaland weg en vormden aan den zeekant weer een groote plas, waarin slechts enkele veenbanken op den bodem achterbleven, terwijl in andere gedeelten, vooral dieper landwaarts, liet laagveen in groote uitgestrektheid bleef bestaan. Zoo vormde zich een landruïne met afwisseling van zee en land, dit laatste versnipperd in eilandjes van verschillende grootte, onregelmatig in de wateren verspreid. Langs den zeekant lagen nog de duinen, wel niet aaneengesloten, zooals ten N. der Maas, maar toch met veiliger plekken, en aan den binnenkant achter deze hoogten bleven ook de landvlakten meer bewaard.

Hiermede werd een nieuwe periode van landvorming en landvervorming in deze gewesten ingeleid, die zich in de eerste eeuwen onzer jaartelling ongeveer moet hebben afgespeeld. Hoe kunnen wij ons in dien tijd de gesteldheid en do verandering dezer landen voorstellen?

Wie in de eerste eeuwen onzer jaartelling van den noordelijken Maasoever bij Vlaardingen zijn blik naar het zuiden richtte, zou, als hij het landschap tot nabij \ laanderen in vogelvlucht had kunnen overzien, aan zijn rechterhand in de streek, waar tegenwoordig op de Zuid-Hollandsclie en Zeeuwsche eilanden de duinen liggen, een rij meer of minder groote eilanden hebben kunnen waarnemen, die zich ten O. langs de enkele, afzonderlijke stukken duingrond gevormd hadden, niet geheel ongelijk aan de duineilanden in het noorden van ons land aan de Wadden.

x) Aan deze vormingsgeschiedenis des bodems heeft liet eilandengebied een der oudste takken van nijverheid in deze gewesten te danken. In deze kustlanden werd het zout tot de lfie eeuw veelal verkiegen, door dat oude, met zout doortrokken veen uit te graven en te verbranden, waardoor in de asch het zout overbleef. Men noemde deze nijverheid het „selbarnen" of „zoutbranden". Wanneer men hiermede aanving, valt niet te zeggen: volgens enkele schrijvers was het onder de Frankische koningen al sterk in zwang; in de 13e eeuw was de zouthandel daardoor een belangrijke handel voor de Zeeuwsche steden. Zieriksee zou zijn opkomst aan het zoutbranden te danken hebben. Ook op Tolen, Zuid-Beveland en elders was het zoutbranden van groote beteekenis. Op de plaatsen, waar de zoutbranderij gedreven werd, zag men nog lang de heuvels van zelkasch, uit de overgebleven asch gevormd, waarmede men geen weg wist, en tot belten bijeengebracht. Thans zijn die meest alle verdwenen; omdat de asch voor de glasblazerij nuttig bleek, werden zij met voordeel afgegeven. Ook te Enkhuizen en in Friesland, op de Sleeswijksche eilanden en elders had het zoutbranden vroeger plaats.

De landvernieling, die dit veengraven, om er zout van te branden, ten gevolge had, wekte in het deltaland steeds meer bezorgdheid. Men vreesde in de middeleeuwen, toen de rijzende waterstand het gevaar nog verhoogde, voor den ondergang des lands. Daarom werd in de 15e eeuw het darinkdelven (derrie of darink is de naam van het lage veen) herhaaldelijk bij plakkaten beperkt en in 1515 door lvarel V geheel verboden. Daar in dien tijd grof zout door den handel uit Spanje werd aangevoerd, was het zoutbranden ook niet zoo noodig meer, om het gewenschte produkt te verkrijgen.