is toegevoegd aan uw favorieten.

Van Eems tot Schelde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gedeelte van den oever over een aanzienlijke lengte en enkele meters breedte afschuift ot wegzinkt in de diepte, zoodat dijk en land geheel verdwijnen.

Aldus is de geschiedenis dezer landen een voortdurende strijd om het bestaan en om ruimte met de wateren geweest,waarbij nu de een, dan de ander weelde overwinning behaalde, doch waarbij ook niet zelden, als in liet eene gedeelte het land toenam, op andere plaatsen de zee haar invallen met des te grooter woede deed. Is het te verwonderen, dat bij deze geschiedenis de Zeeuwen zich het „luctor et cmergo" „ik worstel en kom boven" tot wapenspreuk kozen, voorgesteld door een leeuw van keel, half opduikende uit een zee, met welker baren hij worstelt'? De Zeeuwen zijn steeds trotsch op dit wapen, dat door Mr. Joh. de Brune aldus in een raadsel beschreven wordt:

Een groot en fel ghediert, met langh ghecrolde tuyten Ten halven in de zee, ten halven ook daer buyten;

Een teecken van het volck, dat daer het woont te land,

Meest ploeghet in de zee, meest bouwet aen de strand.

Maar de bewoners der liooge gronden van Brabant, die van den hoogen zoom des lands in de uitgebreide Zeeuwsche wateren staarden en ook den slappen Hollandschen veenbodem aan den noordkant hunner provincie kenden, welke voor een groot gedeelte in den Biesbosch was ondergegaan, zagen die naburige, onzekere landstreken met een soort van medelijden aan en maakten zich hun

schrale zandgronden daardoor tot een meer begeerlijk oord, waarop zij rijmelden:

%

„Neerlandt, eellandt,

Hollandt, bollandt,

Zeelant, geen landt,

Ik houwe het met den Heykant".

De bewoners der eilanden evenwel dachten er anders over. Op de oude kernen, geïsoleerd in de wateren en langs den duinkant, hadden zich ongetwijfeld Friezen gevestigd, echte zwervers over de zeeën en onverschrokken waterbouwers der oudheid, die zich in de lage, moerassige kustlanden thuis gevoelden en ook in het noorden van ons land reeds in den oudsten tijd dijken wist te bouwen. De zonen of' verwanten van dat ras op de eilanden in het deltagebied deden hetzelfde. In den oudsten tijd bouwden zij hier ook hun terpen, die echter enkel als vluchtheuvels dienst deden en waarvan vele nog op Walcheren, Schouwen, Duiveland, Tolen en Zuid-Beveland voorkomen, gelijk Dr. de Man heeft onderzocht en in kaart gebracht.

Die vluchtheuvels of hillen vertegenwoordigen liet eerste stadium van de bewoning der eilanden in deze gewesten. Het waren geen vaste woonplaatsen —