Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op de nederzettingen. Bij huisnijverheid behoefden de woningen, verstrooid over de dorpen, niet verlaten te worden 5 nu de fabriek de arbeideis eiken moigen samenriep binnen haar muren, was men er meer op bedacht, zich in de nabijheid daarvan neder te zetten. Een vorige generatie bleef nog half boer en was halt fabrieksarbeider; de jongere werd aan den landarbeid ontwend en groeide op als fabrieksarbeider. De inkomsten als zoodanig waren wel niet hoog, maar toch hooger dan die van den arbeider-landbouwer. Daardoor verleerde, helaas! deze klasse van lieden den boerenarbeid en werden zij meer en meei afhankelijk van de fabrieken bij het maatschappelijk ontwikkelingsproces.

Door deze omstandigheden werden in de centra van fabrieksnijverheid de nedeizettingen uitgebreid en groeiden op enkele plekken de dorpen samen tot één gioote, stedelijke nederzetting. Dat was o. a. het geval met Tilburg. In de 1.) eeuw met omstreeks 3000 zielen, in 1706 met 8500 inwoners, in 1830 met 11700, in 1850 met 14600, in 1876 met 25330 zielen, telde deze plaats in 1890 : 33900 en in 1900 : 40600 inwoners. Twaalf wijken of afzonderlijke dorpen, waaruit Tilburg

voor een eeuw bestond, zijn tot één stad geworden.

Wat den vorm der nederzettingen betreft, is in Noord-Brabant het lengtetype bij de meeste dorpen overheerschend. liet type der onregelmatig \01st100ide huizen, met één of meer open pleinen of brinken, eveneens van onregelmatige gedaante, vindt men hier niet. Schier alle dorpen zijn gebouwd in de lengte langs den weg en vormen in de kom veelal een breedere straat, niet zelden met

linden omzoomd, waaraan het Raadhuis gebouwd is.

De grootere dorpen ontstonden veelal aan een kruispunt van wegen en bezitten in de kern dan een kruisstraat. Ook buiten de dorpen had de huizenbouw, w aai hij meer geïsoleerd is, langs de wegen plaats. Den boer, die in zelfgenoegzaamheid op een grootc hoeve alleen woont te midden van zijn landerijen, zooals in Friesland, Groningen, Holland en elders, vindt men hier zelden of niet. De versnipperde verdeeling des lands en het verstrooide landbezit maakten dit ook onmogelijk; daarenboven streed dat tegen den aard van het Frankische volk.

Toch vindt men in Noord-Brabant op de zandgronden niet die urenlange, eentonige dorpen der Groninger veenkoloniën. De dorpen zijn gewoonlijk niet lang; zij worden afgebroken door schilderachtige landwegen, 0111 weer door nieuwe te worden vervangen. De streek-dorpen, rechthoekig de regelmatige, strookvormige grondverdeeling snijdend, zooals wij die vinden te Staphorst, Ruineiwold, enz., ziet men hier niet en kan men hier niet vinden door de eigenaardige \ei deeling der gronden.

Vindt men in Noord-Brabant nergens dorpen met zulke mooie boerenhuizen als in Groningen, daarentegen is Brabant het land van kerken, kloosteis en

Sluiten