is toegevoegd aan uw favorieten.

Van Eems tot Schelde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

holle wegen en door het bosch bergwaarts, steken de spoorlijn over, klimmen nogmaals en bevinden ons weldra op den top van den Schaesberg. Geruischlooze stilte omzweeft ons, een rust, die evenwel niet drukkend is, maar verheft, die ernstig is, maar niet somber. En daar vóór ons, te midden van liet geboomte op het plateau, verrijst een witte kapel met de kleine woning van een heremiet. Een tuintje, aan de voorzijde door een muur en verder door een heg afgesloten, omsluit dit eenzame verblijf. Wij naderen de poort, die toegang verleent tot den tuin, laten tot driemaal toe den klopper op de deurstift hameren, een geluid, dat dreunend weerklinkt in deze stilte, en na weinige oogenblikken staat de kluizenaar voor ons, de eenige bewoner dezer kleine woning. Een indrukwekkende figuur met langen baard en in zware pij gedoken, zooals wij die hier voor onderscheidene jaren zagen, is de tegenwoordige kluizenaar niet; het is een echt burgerlijk personage, die veel bidt en verder zich met boekbinden bezighoudt, Doch het is minder om den persoon van den kluizenaar dan wel 0111 de heerlijke natuur, dat wij ons begeven naar dezen berg, en aan dat geheel geeft de kapel een vriendelijke wijding. Daar vóór ons ligt de open zijde van het bosch, die het prachtigste panorama ontsluit, een schilderij op reusachtige schaal met de zuiverste kleuren. De natuur vormt hier een godsgebouw, de Schaesberg een altaar, waar wij onwillekeurig zwijgend nederknielen.

Voor de stichting van hermitages koos men veelal de schoonste plekken uit den omtrek. Vroeger vond men in Limburg onderscheidene kluizenaars. Te Hou tem, Geulle, Doenrade, Heerlen, Jabeek, Vaesrade, Gronsveld, Bemelen en Geleen waren eens kluizenaars, die allen verdwenen zijn; alleen de Schaesberg heeft zijn kluizenaar behouden. De tegenwoordige is de lle, die hier zijn leven in de eenzaamheid slijt, sedert de kluis en kapel in 1690 door graaf Hoen van Cartiels tot Ghaloen werden gebouwd.

Slechts op één dag van het jaar, den laatsten Zondag in Juni, wordt de stilte op den Schaesberg afgebroken. Dan komen duizenden der landbewoners een bedevaart doen naar de kapel; dan staan er allerwegen kermiskraampjesen loopen venters rond, om den vromen pelgrims het een of ander te verkoopen. Dan laten zelfs orgels en harmonica's hun schelle tonen over den berg gillen en vluchten de geesten der stilte huiverig weg van deze plek. Doch den dag daarna keeren de verjaagden weder en herneemt de Schaesberg zijn oude rust,

Wij kiezen een anderen terugweg naar Valkenberg. Door bossclien, over bouwlanden, voorbij de „Betsy Perk-bank", een herinnering aan deze schrijfster, die zooveel deed, 0111 de schoonheden van Valkenberg bekend te maken, (zooals haar broer Ds. Perk voor de Ardennen) geplaatst op een plek, waar men schoone vergezichten heeft, komen wij weder aan in ons hotel.