Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Prof. Kern: Iets over de oudst bekende aardrijkskundige namen (Tijdschr. v. h. Kon. Ned. Aardr. Gen. 1904). Op dezen grond kan men de Keltische stammen als de oudste bekende bewoners van de Geldersche Rijnstreken aannemen.

De Kelten in deze gewesten werden gedeeltelijk verdrongen door de uit het oosten voortdringende Germaansche bevolking. Doch de verdrijving zal niet volkomen geweest zijn, waar de Kelten reeds vaste nederzettingen hadden. Alleen nomadische stammen vertrekken in hun geheel van oord tot oord; waar de bewoners een vaste woonplaats betrokken, blijven zij er aan gehecht, en de aankomst van nieuwe stammen gaat misschien met gedeeltelijke verhuizing, maar zeker ook met gedeeltelijke oplossing van den zwakkeren stam in den sterkeren gepaard. Eerst is het meest een naast elkander wonen in een verhouding van afhankelijkheid; later, wanneer de rassen gelijksoortig zijn, vermenging. Zoo heeft het donkerder, oudste type zich in de meer blonde, later aankomende Germanen opgelost, wat nog zichtbaar is in het groot aantal brunetten der zuidelijke streken. Daardoor ook heeft de levendige „Gallische" aard een vroolijker karakter gestort in de meer koele Germanen, en de sporen er van zijn zeker ten zuiden van den Rijn nog wel te ontdekken.

Van de Germaansche stammen, welke het Keltische gebied aan den Rijn binnendrongen, zijn de Bataven het best bekend geworden, die bij de komst der Romeinen het eiland tusschen de monden van den Rijn bewoonden. Julius Caesar, de eerste schrijver, die van hen melding maakt, kan als de ontdekker van dit land voor het beschaafde Zuid-Europa beschouwd worden, maar Tacitus licht ons nader hierover in en vertelt een en ander van de bewoners van het eiland tusschen Rijn en Waal. Daar woonden de Bataven. „De Bataven", zegt Tacitus, „overtreffen in moed alle Germaansche stammen (nabij den Rijn). Zij bewonen slechts een klein gedeelte van de oevers van den Rijn; hun voornaamste gebied is een eiland, in die rivier zelf gelegen. Vroeger behoorden zij tot den volksstam der Catten, doch trokken, tengevolge van binnenlandsche onlusten, naar die landstreek, waar zij nu (in Tacitus' tijd) een gedeelte van het Romeinsche Rijk uitmaken. Er blijft hun nog een eervol bewijs van het oude verbond, dat zij met ons gesloten hebben, want zij worden noch vernederd, door schattingen te moeten betalen, noch verdrukt door onze schatgaarders. Vrij van alle belastingen en opbrengsten, worden zij slechts voor den strijd bespaard, evenals wapenen van verdediging en aanval voor tijd van oorlog".

Op dit gebied woonden de Bataven in dorpen. Tacitus noemt het opmerkelijk, dat deze Germanen niet in huizen wonen, die naast elkander geplaatst zijn: „elk huis staat afzonderlijk en afgescheiden, naar gelang dat een bron of een akker of een woud bewoners heeft aangetrokken. Hun dorpen (vieus) zijn niet gebouwd uit aan elkander verbonden rijen huizen, maar elk behoudt om zijn

Sluiten