Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Terras van glooiend groen en rood en blauw,

Waarlangs 't gevlamde water van den Rijn Met frissche golving stroomt — de paladijn Met stortrivieren uit de verre gouw

Van Zwitserland, en welige landouw,

Bestipt met dorpen, die beveiligd zijn Door breede heuvels, als een ravelijn Van kracht, geschoven voor hun teêren bouw.

Uw huizenrijen, rood en grijs gedaakt,

Verrijzen schitt'rend, waar de zon hen blaakt,

Door trotsche torenstijging overheerd.

En stolpend buigt het hemelblauw zich zacht Om uw gebouwenstroom en boomenpracht,

Die noode gallen hemelglans ontbeert.

Edward B. Koster.

De natuur had deze heerlijke plek als voorbestemd om tot een vestiging uit te lokken.

Op de plaats, waar Arnhem ligt, werd dan ook reeds in den voor-Germaanschen tijd een nederzetting gevonden. Niet onwaarschijnlijk moet „Arenacum", de Keltische vorm van een ouden plaatsnaam, als het latere Arnhem beschouwd worden. Hoe en wanneer deze nederzetting ontstaan is, valt op historische gronden niet te zeggen, doch de geographische gesteldheid des lands wijst voldoende elementen aan, om te besluiten, dat de keuze van deze plek niet toevallig was en zelfs voor primitieve volken een redelijken grond moest hebben. Zij vestigden zich het liefst langs de oevers der rivieren, en de hooge rivieroever bood hier, voorbij de splitsing van Rijn en IJsel, het eerste punt, waar men onmiddellijk aan den stroom zich veilig tegen overstroomingen kon nederzetten. Goede verkeerswegen te water en veiligheid waren de hoofdelementen voor dat ontstaan. Verder weten wij van het eerste opkomen der plaats niets. In den Romeinschen tijd heeft ongetwijfeld die nederzetting voortbestaan en zich als zoodanig ontwikkeld, zonder dat, zooals op vele plaatsen het geval was, een kasteel of burcht op het eerste ontstaan invloed had. Van een slot te Arnhem komt in de geschiedenis niets voor.

Bij de eerste vermelding van deze plaats verstond men daaronder de parochie. In die parochie lagen eenige heerenhoven (curtes), o.a. een van de abdij van Verden, een van de abdij van Prü men (Nijenbeek aan den tegen woordigen St.-Janssingel), van Elten (de Buttelarijë, d. i. het slachthuis aan den tegen'woordigen Eusebius-singel). In de stad heeft ongetwijfeld ook een heerenhof gelegen op de plaats der tegenwoordige Korenmarkt, zegt A. J. C. Kremer, doch da-t was in de 14e eeuw al verdwenen, want Reinold III woonde reeds op het tegen, woordige Walburgsplein.

Sluiten