is toegevoegd aan uw favorieten.

Van Eems tot Schelde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

landen het feodale kasteel Doorwerth, een der weinige middeleeuwsche burchten, die ons land nog bezit. Hoewel meerendeels in vervallen staat, kan men er de diiedubbele grachten, de ophaalbruggen, den wachttoren, de poorten, de muren met s( hietgaten, het voorplein, liet binnenplein, de ridderzaal, de gevangenis, de kapel en de gewelfde kelders nog aanschouwen. De „konstige toren", die zich eens op die muien aerliief, is echter al lang verdwenen. Een eerste ophaalbrug voert naai een smal aoorplein; tegenover de tweede ophaalbrug verrijst een tweede Avachttoien, die door een zwaar poortgewelf, met de geslachtswapens der familie Doonverth er boven, toegang geeft. Vervolgens komt men op het ruime binnenplein ot „cour d'honneur," met een prachtige, oude acacia begroeid, misschien de oudste van ons land. Een derde ophaalbrug geeft eindelijk toegang tot het eigenlijke slot, het eigendom van Jhr. Mr. J. G. Ridder van Rappard, doch dat sinds lang onbewoond is. De laatste glans van romantisch leven is van Doorwerth verdwenen; stil en somber staat het daar, treurende op het graf van een roemrijk verleden.

Lens toch was dit kasteel de zetel van den heer van Doorwerth, de vroegere heerlijkheid Doorwerth, tot 1402 een vrij, eigen goed, welks bezitters alleen den Keizer en het Rijk leenhulde schuldig waren, terwijl nog tot 1795 het hoog en laag rechtsgebied aan de heerlijkheid verbonden was. Achterleenen van deze heeilijkheid waren Heelsum en de vroegere adellijke huizen Rosande, Ilarselo en het nonnenklooster „Maria van Redichem". Slichten horst noemt Doorwerth „de lieeilyxste en giootste van de gantsche Velouw". De stichting van het slot verliest zich in de liooge oudheid; men vindt van liet kasteel echter het eerst melding gemaakt omstreeks liet jaar 1260.

Wij doorkruisen thans het Doorwerthsche bosch langs den harden weg, beklimmen nog den Zilverberg (61 M. hoog), volgen den heerlijken, lommerrijken Italiaanschen weg en brengen vervolgens een bezoek aan Wolfheze, een schilderachtig bosch in de gemeente Doorwerth, niet ver ten Z. van den spoorweg Arnhem—Utrecht gelegen. Wolfheze is een oud landgoed, in de 14° eeuw al genoemd, langen tijd liet eigendom der balije van de Duitsche orde te Utrecht, totdat de eigenaar van Doorwerth dit goed in 1726 aankocht. Wolfheze was \ «inouds een „A\ ildfurstergocd", welks bewoners van de gewone plichten der dienstbaarheid vrij waren; zij droegen geen andere lasten dan die ook door edelen en steden betaald werden; echter waren zij gehouden, op bevel van den jagei meestei, zelfs met verlating van ploeg en akker, kar en paard bij de jacht

den heer te doen volgen tot vervoering van het vorstelijk jachtgereedschap en van het grove wild.

liet bosch Wolfheze is vol wilde bekoorlijkheid en afwisselend natuurschoon, nog niet gepolijst door een ongevoeligen smaak, waartoe vooral de Heelsummer beek,