Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden. De kevertjes van de laatste soort (de levenswijze van dit insect is bestudeerd door II. Li<; Keux (4°)) brengen den winter door in verstijfden toestand, onder den schors van booinen, onder bladhoopen, in de barsten van oud hout, in oude hagen en stoppels. Eén warme dag in Januari of Februari is voldoende om ze uit hun schuilplaatsen te lokken, en maakt hen dan reeds even actief als de zomerzon. Rustende aard vlooien werden door mij gevonden in April 1905, in stronken van Brocolie-bloemkool te NoordScharwoude. De kevertjes tasten vooral kiemplanten aan, waarvan al wat boven den grond uitsteekt van hun gading is. In schrale, droge voorjaren komt het voor, dat heele banen worden kaalgevreten. Is het weer minder ongunstig, en zijn de plantjes wat grooter bij den eersten aanval van het insect, dan groeien zij er dikwijls doorheen. De latere generaties (er komen er twee of drie per jaar voor) doen minder schade, maar toch maken zij wondjes aan de oppervlakte van den stengel, wondjes als in fig. 32, door welke bij planten met een reeds beschadigd wortelstelsel, de kanker kan binnendringen.

Sluiten