is toegevoegd aan uw favorieten.

De belangrijkste ziekten van kool in Noord-Holland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van de cS planten van a zijn er 7 vallers geworden met P hornapykniden. " » » b „ „5 „ „ „ „

» » 8 „ „ c is „ 1 valler „ „

» » ^ » » d » ,, geen enkele gevallen.

Die éene plant van groep c bleek door koolvlieglarven te zijn aangetast , op de papierkraag was n.1. aarde gekomen, zoodat de vlieg er zijn eieien aan had kunnen leggen. Op deze plant, die op onbesmetten grond stond en die van onbesmet terrein kwam, ontwikkelde zich Phorna. De zwam kan in dit geval niet anders dan door de koolvlieg zijn overgebracht.

De herhalingsproef bevestigt de resultaten van de vroegere proeven A, B en C. De planten van a, die opzettelijk zijn gewond en geïnfecteerd, zijn voor 7/8 vallers geworden. Van de planten van b, die niet opzettelijk, maar tengevolge van het verplanten zijn gewond, en die daarenboven zijn geïnfecteerd, werden er 5 op de 8, vallers. De planten van c, die werden gewond, maar niet geïnfecteerd, bleven, voorzoover er geen koolvlieg bij kwam, gezond. De planten van d, die in absoluut gaven en groeikrachtigen toestand werden geïnfecteerd, bleven alle gezond. Van dit proefveldje is den 18den Juü een photographie gemaakt (zie fig. 32, PI. V). De twee planten, overeenkomend met de twee onderste stippen van het schema van blz. 60, werden, om technische bezwaren, weggenomen; de rechtsche was de eenige van groep a, die geen valler werd. Op de photographie staan dus 30 planten, op twee rijen van 15. Links van die twee rijen staat ook nog kool, maar die doet niet mee. De rechtsche rij heeft, van den voorgrond naar den achtergrond geteld, eerst 12 vallers, dan 3 planten, die er doorheen zijn gegroeid, ten slotte nog 1 valler. De linksche rij heeft alleen gezonde planten, behalve de tweede van dezen kant. Dat is die, waar Anthomyia aan gevreten heeft. De practicus zal in deze laatste en in de planten van de rechtsche rij typische vallers herkennen.

Hoe wordt Phorna oleracea overgebracht naar terreinen en planten, die er tot nog toe vrij van waren ? Actief zou dit kunnen geschieden als de zwam haar sporen ver heen spuit of door den grond groeit, zöoals b.v. Polystigma rubnim, resp. Trametes radiciperda; passief, wanneer atmospherilien, dieren of menschen haar transporteeren.

Het uitspuiten zelf van de sporen kan bij Phoma geen verre verspreiding bewerken; bij droog weer vormt zich een sporenrank, bij vochtig weer slijmige droppels, die de conidiën bevatten.

Ook groei door den grond heeft niet plaats. Om dit na te gaan, heb