Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VI. Pathologische anatomie.

Oppervlakkige verwondingen; mergstandige boorgangen; wonden

in radiale, in dwarse richting; wonden van Anthomyia. — Adventiefwortels. — Infectiehyphen in huidmondjes, in wonden. — Gummose degeneratie. — Analoog geval.

Ken oroot verschil bestaat tusschen planten, aangevreten door cle insecten, die de ziekte inleiden, en planten, die „vallers" zijn. Kan microscopisch onderzoek de gegevens vinden om dit verschil te verklaren? De studie van de wijze, waarop de plant reageert op verwondingen alleen, dan van de wijze, waarop zij reageert op P/Wz^-aantasting moet hierop het antwoord geven.

l)ij de bespreking van verwondingen blijven kiemplanten buiten beschouwing. Behalve, dat zij zich dikwijls door een bijzonder regeneratievermogen onderscheiden (Goebel 60) zijn zij voor de ziektestudie niet van belang. Mijn waarnemingen bepalen zich tot „baanrijpe" planten, maar ook de dwarse snijwond, bij het oogsten aangebracht, wordt hier behandeld. Infectie heeft, bij krachtige, jonge planten met een gezond wortelsysteem, niet plaats; de voor dat doel gemaakte wonden herstellen zich, ondanks de tegenwoordigheid van Phorna oleracea, als tenminste de plant niet, tengevolge van verpoting of vreterij in een kwijnenden toestand verkeert.

Oppervlakkige wonden in de primaire schors van wortel of stengel komen bij de planten van banen en velden voor, wanneer de schors den dikteoroei niet bijhoudt en barst. Ook zijn er allerlei kleine wondjes te vinden aan het jonge stengeltje en worteltje, als men oplettend daarnaar zoekt, boven den grond meestal door aardvlooien aangebracht, soms ook door slakken, onder den grond door ritnaalden, vliegmaden of millioenpooten. Zelf heb ik bij mijn proefnemingen oppervlakkige wondjes gemaakt, door het wegnemen van stukjes van de primaire schors van wortel en stengel, echter niet dieper dan het cambium. In alle bovengenoemde gevallen heb ik

Sluiten