Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

t

zijn, van mijn kleine bezitting aldus aan de ergelijke nieuwsgierigheid der menigte prijs te geven. „Ei, ei, en zat Jonathan nu op zoon stoel? wel, wel, is dat nu 's mans boekenkast ? ei, zie daar hebt gij de huisklok ook, waar hij in zijn boekje — hoe heet het ook — van spreekt! en ginds hangt zeker het portretje, waarover hij dat malle stukje geschreven heeft! ei zie, dat zal de piano van Edithazijn!" Ik kan koud worden als ik er aan denk. Bij de gedachte alleen gaat mij een gril over t lijf, alsof er iemand over mijn graf liep. Neen, mijn armoedje, gij zult voor uwe trouwe diensten beter beloond worden, dan met de beschimping van den grooten hoop, dien gij even als uw bezitter altijd gehaat en gevloden hebt. Ik zal u in mijn testament bij mijn neef en vermoedelijken erfgenaam als op een hofje bestellen, waar gij, hoop ik, in stilte aan den houtwurm en de mot uw eerlijken dood sterven zult. Want reeds dit vooruitzicht is mij maar half aangenaam. Ik heb sommige mijner meubelen zelfs te lief om ze aan mijn neef te gunnen. Als het niet te Indiaansch klonk voor een Hollander, zou ik wel wenschen met hen verbrand te worden, en stervende mijn asch met de hunne te vermengen. Over het algemeen heb ik een groot zwak voor alle oude voorwerpen, waaraan zich oude herinneringen hechten. Ik ben het daaromtrent eens met mijn vriend Jean Paul, als hij zegt: Eer het heden nacht wierd, heb ik alle papiersnippers, die van dit boek vielen, bijeenverzameld ; ik heb te gelijk alle brieven dier vrienden, die mij geen nieuwe meer kunnen schrijven, evenals stukken van een bij deze wereldinstantie gesloten proces, weggelegd. Zoo iets moest de mensch zorgvuldig doen, en alle bloemen der vreugde, niettegenstaande hare verdorring, in een herbarium vastplakken. Hij moest niet eens zijn oude rokken, jassen en mantels weggeven of verkoopen, maar weghangen moest hij ze, als hauwen zijner uitgepelde uren, als poppenbekleedsels van daaruit gevlogene vreugde, als erfenis ab intestato van gestorvene jaren, die aan de herinnering opkomt. — Het is maar jammer, dat men niet altijd meester is zijn plan geheel uit te voeren. Althans mij is het wel eens gebeurd, dat juist als ik een ouden jas had afgelegd en in mijn reliquieën-kast weggehangen, een arme duivel kwam en mij om bedekking zijner naaktheid bad. En ik moet bekennen, dat ik in zulke gevallen geen humorist genoeg was om het er voor te houden, dat de

2

Sluiten