is toegevoegd aan uw favorieten.

Waarheid en droomen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Of wel om, indien ik mij door een kladder liet afbeelden, nog eens tn effigie op een boelhuis te worden geveild:

N°. 25. Een manspersoon. — Één gulden en vijftig cents. — Niemand? — Nu, voeg er dan deze Juffrouw nog maar bij. — Nu, twee gulden. Wie twee gulden? Totdat zich iemand mijner ontfermt, en mij nog na mijn dood met wie weet welke eerzame maagd paait, om gezamenlijk als scherm voor een tochtgat te dienen, of tot bedek king van een vuile plek op 't behangsel gebruikt te worden.

Neen, iemand als ik, wiens stil sterfbed van niemands snikken weêrgalmen zal, en wiens eenzame doodspeluw niet bevochtigd zal worden dan door mijn eigen doodzweet, moet het er voor houden, dat de menschen genoeg gedaan hebben, wanneer ze tot aan zijn dood toe zijn gezicht verdragen hebben, zonder er hen nog na zijn overlijden meê te vervolgen. Laat hem die weet dat er, bij het verdwijnen van 't origineel, naar de kopij nog menig betraand kindergezichtje zal opzien, laat hem zijn beeltenis in ieder vertrek aan den wand hangen. Mij dunkt, zulk aanzien moet de koude asch nog in het graf verwarmen. Maar wie vooruit berekenen kan, dat zijn portret voor de nablijvenden niets zijn zal dan doek en verf, en zich met de eer, die men deze respectieve artikelen bewijst, zal moeten vergenoegen, neme liever zijn beeld meê in 't graf, dan aldus zichzelven te overleven.

Ik heb mij dus niet laten portretteeren. Maar gelijk ik u begon te zeggen, met heeft het voor mij gedaan.

Ik was negen jaren oud, toen er een Italiaansch miniatuurschilder bij ons kwam, die aanbood mijn ouders voor een prijsje uit te schilderen. Geen van beide gevoelde hiertoe lust, maar in plaats daarvan wist mijn moeder aan vader de vergunning af te vleien, dat de man mijn konterfeitsel maken mocht. Volgens haar getuigenis trof de kunstenaar mijn gelijkenis uitstekend wél. Sedert hing het altijd op de kamer der lieve vrouw, tusschen de silhouetten harer ouders. Na haar dood kwam het in mijn bezit, en nu heeft het zijn vaste plaats aan den muur tegenover mij, dicht bij mijn huisklok, zoodat ik niet op kan zien, zonder dat mijn oog er op valt.

Zoo ook nu. Al zoudt gij er mij om uitlachen, ik moet er recht aan doen: het is een lief portretje. Zoowel als ik er straks voor uitkwam,