is toegevoegd aan uw favorieten.

Waarheid en droomen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat ik nu verre ben van een behagelijk uiterlijk te hebben, moet gij mij vergunnen te zeggen, dat ik geen onbevallig kind moet geweest zijn. Er rust zulk een helder waas van gezondheid op het gezichtje; er ligt zulk een glans van onschuld over het open voorhoofd; er schittert zulk een „blijde vonk van kindervreugd en geest" in de lachende oogen; er schuilt zulk een lieve trek van schalkheid in de kuiltjes op de beide wangen; en bovenal heeft het geheel zulk een voorkomen van kinderlijke onnoozelheid, dat ik niet nalaten kan er meê ingenomen te zijn. Ik zie het nooit, of ik denk aan mijn vriend Elia: „ik stem alles, wat gij ten laste van den man Elia opsomt toe; maar het kind Elia, dat ander ik daar op den achtergrond, dien knaap moet gij mij vergunnen te mogen liefhebben."

Uren lang kan ik dit beeld aanzien, en mij daar bij in een gelukkig verleden verplaatsen.

Mijn geheugen is op dit punt zeer wakker. Het is waar, dat ik van de herinneringen uit mijn kindsheid geen aaneengeschakeld geheel maken kan. Nu en dan zijn er groote gapingen in, even als op een schilderij, waarop sommige plekken zijn uitgewischt. Maar daarentegen liggen ook andere partijen in een helder licht voor mij, zoodat het is of ik ze nog zie. En de gedachte daaraan is voldoende om mij op mijn kindsheid als een hoogst gelukkigen tijd te doen terugzien. Neen, ik kan mij hieromtrent niet met Jean Paul vereenigen, als hij de genoegens van het kinderleven „geurlooze vergeetmijnietjes" noemt. Laat de blijdschap van den zuigeling zoo heeten, die zelf geen vreugde heeft van de lachjes, waardoor hij anderen verblijdt, en bij wien het gevoel van vermaak en leed, als ik mij zoo mag uitdrukken, op het gezichtje afwisselt, zonder bijkans het zieltje aan te doen. Maar als het kind een klein mensch geworden is en weet begint te krijgen van genoegen of smart, dan is kindervreugde wel degelijk vreugde. Zeg dan niet: het heeft geen genot, omdat het zich van zijn genot geen reden geeft. Maar geven wij er ons dan altijd reden van ? Gaan wij bij ieder genoegen neêrzitten om het te ontleden ? Als wij in het voorjaar in de open lucht komen, en het lentewindje kust ons met zijn lauwen adem, terwijl de verkwikkelijke zon ons streelt als een warme zachte vrouwenhand, zoodat wij daaronder „uitzetten en knoppen" van weelde en lust, zeggen wij dan altijd tot ons