is toegevoegd aan uw favorieten.

Waarheid en droomen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ja; want de tevredenheid glinstert uit uw oogen, en de blos, dien het genoegen op uw wangen ontstak, klom even zoo wel uit uw klein hart naar boven, als het niet bij toeval is, dat thans dit vale bleek hier dat kleurtje daar vervangen heeft.

Dikwijls stond ik voor dat portret met een gevoel van benijding, dat misschien menig uwer dwaas zal heeten. Het was wanneer het mij somtijds recht bang was, en ik behoefte had mijn oog op iets vroolijks te vestigen ; hoe kon mij dan het onderscheid tusschen het kind en den man treffen ! Dat gladde voorhoofdje, hoeveel rimpels heeft het gekregen! dat fonkelend oog, welk een doffe nevel heeft den straal der vreugde daarin uitgebluscht! die bloeiende wangen, hoe heefï de hitte van den dag ze doen verdorren! dat lachend mondje, welk een diepe groef heeft de smart er in gedrukt! Ik had moeite te gelooven, dat ik er ooit zoo had uitgezien, nooit zóó kon worden als ik nu ! — Doch eindelijk verzoende mij die aanblik met mijn ongeluk. En zijt gij dan geen kind geweest ? vroeg ik mijzelven. Een vroolijk, onschuldig, gelukkig kind? hebt gij niet met de bloemen gebloeid en met de vlinders gedarteld? hebt gij u niet moêgespeeld en wakker geslapen? hebt ge geen tijd gehad, dat alle kommer om en voor u besloten werd in het hart, waaraan ge rusttet, en dat ieder zijn eigen smart onder een lachje voor u verborg? Waarover beklaagt gij u dan? Twintig jaren kinder- en knapen- en jongelingsvreugde, is het te veel, dat ge daarvoor in het leed des mans een evenredige rente betaalt! O, als God het naakte wicht hulpeloos op den kouden, harden grond nederlegde en aldus aan de genade van het toeval overliet; als het kind, van den dag zijner geboorte af aan, even als het winterklokje dat uit de sneeuw opschiet, door barre winden en scherpe hagelsteenen geteisterd werd; als de opwassende knaap zich, gelijk een verdrukte scheut, naar boven moest werken; met een woord, als er aan het leven een jeugd ontbrak, — dan zouden wij kunnen klagen, dat ons onrecht gedaan was. Maar zoo is het immers niet? Voor de intrede des menschen in de wereld is alles door de zachte hand der liefde gereed gemaakt. Vaderarmen ontvangen, moederarmen koesteren het:

Haar liefde dekt het schaap nog zonder wol;

Haar teêrheid voedt het lam nog zonder weide.