is toegevoegd aan uw favorieten.

Waarheid en droomen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dan heelt het kind voor niets te zorgen, terwijl alles voor het kind zorgt. Dan wordt de scherpe wind gebalsemd en de stekende zonnestraal mat gemaakt; dan plaatsen zich anderen vrijwillig voor den snijdenden tocht en onder de vallende sneeuw; dan wordt het plantje gedekt, begoten, naar de zon gekeerd, ondersteund en opgehouden. Dan worden alle tranen opgevangen, alle zuchten weggekust. Dan wordt iedere plek tot speelplaats gemaakt, ieder voorwerp tot speelgoed, en iedere volwassene buigt zich om meê te spelen. Dan wordt voor het kind de doorn van iederen stengel gebroken, de honing uit iedere bloem vergaard, het sap uit iedere vrucht gedrukt. Dan slingeren de menschen hun armen in elkander, om rondom het kind als ware het een Eden af te perken, waarin het storelooze paradijsgenoegens smaakt.

Maar wat zouden wij dan willen? Dat dit altijd zoo voortduurde? De hemel beware ons! Wat zou er van zulke vertroetelingen worden ? Ellendige kasplantjes, die geen tiende van hun natuurlijken groei en sterkte zouden bereiken, saplooze bladeren, weinige bloesems en niet een enkele vrucht dragen. Neen, niet alzoo. Wij zijn kinderen opdat wij mannen zouden worden, maar worden geen mannen, opdat wij kinderen zouden blijven. Zijn wij zoo ver gekomen, dat wij onder het glas van daan in de open lucht kunnen, dan is het ook niet meer dan billijk, dat wij met de anderen wind en kou leeren deelen. Wordt het ons daaronder al eens bang, denken wij dan terug aan de twintig jaren dat wij gespaard zijn geworden, aan de twintig jaren van vooruitgenoten vergoeding, aan de twintig jaren van toerusting, die weinig vrucht hebben gedragen, indien zij ons voor geen twintig jaren strijdens hebben voorbereid!

Zie, zulke gedachten pleegt het gezicht van het kind bij den man op te wekken. En dan, in plaats van mij te verdiepen in het lijden, dat mij drukt, verlies ik mij in de herinnering van het genoegen, dat ik gesmaakt heb. Dan denk ik, hoe de verschooning, mij in de eerste vaag des levens bewezen, gediend heeft om mij tot het uitstaan der tegenwoordige beproeving te harden; dan denk ik, hoe het mij zou gegaan zijn, indien dit leed, even als een vroege vorst, in mijn kindsheid gevallen ware: dan denk ik, hoe ver de rampen des mans er van af zijn tegen de vreugde van den kinderlijken leeftijd op te wegen; en