is toegevoegd aan uw favorieten.

Waarheid en droomen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onder deze beschouwing groeit mijn moed aan; de sterke man vindt kracht in den aanblik van het zwakke kind; de smart des volwassenen vertroost zich met het lachje van den knaap, en mijn gevoel lost zich op in de dankbare uitboezeming: Ja, ik ben waarlijk dezelfde; die knaap en deze man! Was ik die knaap niet geweest, ik ware deze man niet geworden; en was het niet om deze man te worden, ik zou die knaap niet geweest zijn.

Rn wanneer ik alsdan het kind aanzie, en het mij voorstel in al zijn onkunde en onbewustheid van zijn hoogere bestemming: de aarde aanziende of zij altijd beneden hem, en den hemel, of hij altijd boven hem zou blijven; — en daarbij te gelijk denk aan hetgeen er van hem worden moet: een kind van God, een blinde voor de wereld, een doode voor de zonde, een dagelijksch offer van zich zeiven, een burger des hemels op aarde en eens een lotgenoot des Hoogzaligen — dan verliest mijn oog zich in die gaping tusschen dat wichtje vóór en den zalige boven mij ; en het wordt mij duidelijk dat de school, waar zulk een opvoeding voltooid moet worden, een school van werkzame oefening en strenge tucht moet zijn. En bij die overtuiging wordt het mij zoo helder, dat dat kind dien speelschen lach om den mond en dien blijden straal in het oog verliezen moest, dat ik niets natuurlijker vinde, dan dat de man, voor het portret tredende, zich zeiven niet meer herkent, en er hem ongelukkig om rekenen zou, indien het anders ware.

Ongelukkig, indien het anders ware! O, op hoe velerlei beschikkingen in mijn lot kan ik dit toepassen. Zeker als ik op dit kind zie, voel ik mij overstelpt van dankbaarheid bij de gedachte aan zoovele leidingen Gods als gestrekt hebben om het te bewaren van immer geheel uit den staat des kinds uit te vallen. Al denk ik alleen aan de lieve moeder, van wie deze beeltenis afkomstig is. De lieve moeder! Nooit werd die naam met meer recht door een vrouw gedragen, nooit haar met meer liefde door een kind gegeven. Niet alleen, omdat zij de weldoenster mijner kindsheid was, die van haar armen mijn wieg, en van haar boezem mijn peluw maakte; die mij 's avonds met haar liederen in slaap zong, en mij s morgens met haar omhelzingen weêr wakker kuste; wier bijzijn in den vollen zin des woords mijn leven, wier schoot mijn hemel was. Maar veel meer, omdat zij evenzeer de geleigeest van mijn onnoozelheid,