is toegevoegd aan uw favorieten.

Waarheid en droomen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

altijd op denzelfden eerbiedigen afstand van vijfentwintig jaren (kanonskogelmaat) van het verwarmend middelpunt te houden Zalige tijd! Dan heb ik niet naar boven te zien, om mij te beklagen, dat de hond in den dierenriem nog niet dol van hitte, en de kreeft nog niet rood gekookt is door het vuur dat onder hem gestookt wordt. Dan maak ik met mijn thermometer mijn eigen zodiac, en schep naar verkiezing een Oostersche, ja, een Keerkringswarmte.

Lach mij uit, zoo gij wilt; naast mijn haard gezeten trotseer ik u, en daag u uit mijn genoegen door uwe spotternij te bederven. O, mijn rede lijke en zedelijke lezer, in de stemming van algemeene menschenliefde, waarin mijn tegenwoordig lekkere atmosfeer mij brengt, kan ik niet nalaten u tegen wil en dank een wensch op te dringen: het is, dat gij ook in de wereld iets stoffelijks zoo lief moogt hebben, als ik mijn vuurtje! Rijkdom, liefde, roem, macht, het is alles bedrieglijk en aan verandering onderworpen; maar iets materieels als een vlammende haard deelt in die wisselvalligheid niet. Altijd is hij heet, even heet, en even gereed mij te verwarmen. Ontrouw grieft hem niet. Na een geheelen zomer in donkere eenzaamheid gekwijnd te hebben, is in het najaar een blozende glimlach zijn eerste welkomst. Verkwisting put hem niet uit; want al heeft hij den vorigen dag stapels hout verslonden, een oogenblik, en hij brandt weêr met dezelfde geestdrift. Zijn schoonheid is onvergankelijk; want al teisterden hem de jaren, zijn wang blijft rood, zijn oog fonkelen, zijn geheele houding is vol vuur en leven! En wat niet minder zegt, terwijl van den anderen kant de vatbaarheid voor de meeste der overige genoegens met den leeftijd vermindert, de vatbaarheid om zich te verwarmen neemt met de jaren eer toe dan af. Hoe ouder men wordt, hoe meer onze rechten op een sterke dosis warmte erkend en geëerbiedigd worden; en, wanneer ik aan sommige volken denk, die de weelde zoo ver drijven van na hun dood niet weg te slinken, maar weg te knappen, dan moet ik zeggen — dat die een zeer warm uiteinde hebben.

Intusschen verzoek ik mijn haastigen lezer, zijn vlug oordeel over de mogelijke gevolgen van zulk een hartstocht nog een oogenblik op te schorten. Zoo protesteer ik er volstrekt tegen, — en verzoek dat mij van dit protest acte verleend worde, — dat ik aan deze warmteliefde mijn winterplichten of eenigen anderen plicht hoegenaamd zou opofferen