is toegevoegd aan uw favorieten.

Waarheid en droomen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en de Engel in hem hoorbaar met zijne vleugelen klapwiekt; o! uren zou ik kunnen staan luisteren naar dien nooit opgedroogden vloed van moederlijke welsprekendheid! En wist gij eens, welk een liefde ik aan zulke gesprekken verschuldigd ben ! Want de vrouwen, die het in mijn oogen lezen, hoeveel belang ik in zulk een verhaal van de kinderkamer stelle, weten mij dank voor de deelneming, waarmede ik haar aanhoore. En dan is het zoo aangenaam tot een oud vrijer te spreken, die er nooit een lofrede op zijn eigen kinderen tegenover plaatst, en haar Pietjes behendigheid in de schaduw stelt door van de nog veel grootere vlugheid van zijn Jantje te spreken. Zie, het moge aanmatigend klinken, maar waarlijk, als ik in sommige kringen binnentreed, weet ik reeds vooraf, welke oogen mij vriendelijk zullen toeblinken en uitnoodigen om te komen vernemen, hoeveel woorden het jongste kind nu reeds meer spreekt, dan bij onze laatste ontmoeting.

En niet alleen de moeders, ook onder de jonge meisjes zijn er, die ik boven het gezelschap harer oudere zusteren verkieze. Het zijn zulke aanvallige schepselen ! Ik heb een vriend, die vroeger een schoon buitengoed had, dat hij door verval zijner zaken heeft moeten wegdoen; maar nu gaat hij alle avonden langs die plaats wandelen op hetzelfde uur, waarop hij vroeger het goed zelf rondging, ziet nog eens dezelfde boomen, dezelfde vijvers, dezelfde geliefde plekjes, die eens de zijne waren, en komt daarop zoo vergenoegd te huis, of hij nog eigenaar van die schoone bezitting ware. Jonge menschen zijn voor mij, wat zijn buitenplaats voor mijn vriend is. Ik heb mijn jeugd aan hen moeten afstaan, maar, om dit verlies zoo veel mogelijk te vergoeden, zoek ik hun omgang. En als ik hen dan hoor spreken van hunne schoone droomen, zooals mijn dorre verbeelding er niet meer droomt, en hen gevoelens hoor uitboezemen, zooals mijn verkoelend hart er geen meer huisvest, dan is het mij of ik op eens weêr als een jongeling droome en gevoelde. Dan knik ik bij ieder woord toestemmend met mijn hoofd, speel de gansche opera féerie van mijn jeugd nog eens over, en scheide niet van de bezitters van mijn verloren Eden dan met het gevoel: „Hoe jong en gelukkig ben ik geweest!" Zie, daarom heb ik jonge menschen en vooral jonge vrouwen, waarin de natuur nog ongemaakter spreekt, lief. Meer dan eens heb ik in zulk een gesprek een hart zich allengskens