Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Naar de zaal der Etrurische of Egyptische oudheden, naar de collectie van werktuigen uit het vóórhistorische steenen en bronzen tijdvak met u !..

En toch ! en toch! .. .

Misschien staat de zaak nog niet zoo volkomen wanhopig. De dubbele deuren zijn en blijven gesloten. Misschien echter is er nog een achterpoortje. Misschien is er hier of daar nog een enkele vriend verborgen, die mij door een spleet er van binnen laat. Ja, misschien heb ik in stilte nog meer vrienden dan ik zelf wel weet of mij onderwinden zou te hopen.

Ziet gij, men kan wel, o ja! als een recht geaard kind van het achtste tiental jaren der negentiende eeuw, een man der realiteit zelfs in de tweede macht zijn.... Werkelijkheid hier! Werkelijkheid daar! Werkelijkheid overal! maar dat neemt toch niet weg dat men, qua mensch onder het koude harnas van de wetenschap, en den ijzeren maliënkolder van het empirisme, in de linkerborst iets zachts, iets weeks iets menschelijks heeft, dat zich niet te best beschrijven laat, maar dat ieder, ook zonder verdere beschrijving, na dezen wenk genoeg herkent: iets, waarvan Chateaubriand zoo schoon zeide, dat men het heeft van God of van zijne moeder. De mannen van het Heden mogen nu, als de bekende dokter van Molière, die het hart aan de rechterzijde van den mensch plaatste en bij een protest daartegen uitriep: Nous avons changé tout cela! zij mogen nu het hart hebben zoeken te verstalen of te versteenen; een mensch kan, zelfs in 1871, maar niet alles wat hij wil. In een van de geestigste kleine stukken van Scribe beveelt de Oostersche Vorst, de Pacha, al zijn hovelingen op zekeren dag vroolijk te zijn, aangezien de Vorst vroolijk is, en al wie nu niet terstond vroolijk wordt, dien zal zonder genade het hoofd op kommando voor de voeten worden gelegd! — maar daarmeê is de vroolijkheid nog niet dadelijk present, en zal zich misschien ook verder nog wel wat laten wachten. Welnu, zoo is het met de realiteits-passie. De Romeinsche blijspeldichter heeft in een bekend woord geleerd:

'k Ben een mensch, en deel in alles wat eens menschen is als 't mijn.

En waarlijk, als zoodanig, als mensch, leeft en trilt er bij ons, tusschen alle spieren van onze volle werkelijkheidskracht door, toch ook

Sluiten