Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

koper, waarin ze eens gegraveerd zijn. Maar ook inwendig, in den inhoud. Ook daarvan geldt ten volle: „Niet verouderd!"

Welk een verschil tusschen hem en mij!

Ik las onlangs een bijzonderheid uit het leven van Alexander van Humboldt, die mij trof. Toen hij als jongeling met zijn vriend Bonpland in Zuid-Amerika reisde, zag hij een boom, Zamang del Guayre - meen ik — geheeten: een ware reuzenboom, in al zijn pracht, macht en kracht. Zestig jaren daarna, in 1858, bracht hem een reiziger, die uit die streken kwam, een gelijkende fotografie van dien boom mede. Dat gezicht deed hem aan. Naar de teekening te oordeelen, was die boom nog volmaakt dezelfde als in 1798. De stam even hoog, vast en recht; de kroon even breed en rijk: de takken even overvloedig, weelderig en schilderachtig naar alle zijden uitgebreid; de bladeren even rijk frisch en groen; de bloemen- en vruchtenschat even kleurig en welig. Toen werd Alexander bedroefd. „Die boom nog geheel onveranderd, terwijl Bonpland lang dood is, en ik een oud man aan den rand van 't graf! Wat is er nu van die vlucht van jeugdig enthousiasme, die mij en mijn reisgenoot toenmaals bezielde, en ons met onze gedachten en plannen hoog boven de hooge kruin van dien reuzenboom, ja, van de hemelhooge bergen daarachter en rondom, opstijgen deed!.... „Maar genoeg, gij hebt mij reeds begrepen. Wat Alexander voelde tegenover de afbeelding van zijn langlevenden boom, gevoelt de verouderde Jonathan, staande tegenover zijnen altijd jongen Bijbel. Alleen maar, de aard van de daardoor opgewekte gewaarwording verschilt. Humboldt werd droevig, ik gevoel mij gelukkig en blijde. Geen wonder: de jeugd van zijnen boom kon zich aan hem niet meêdeelen: maar de onveranderlijkheid van onzen Bijbel waarborgt ons onze onsterfelijkheid, onze eeuwige geestelijke jeugd. Daarom roemen wij: Alle vleesch is als gras, en alle heerlickheyt des menschen als een bloeme des gras. Het gras is verdorret en sijne bloeme is afgevallen: maar het woord des Heeren blijft in der eeuwigheid.

Ja, het Woord blijft. Jaarhonderden en jaarduizenden zijn daar, om het te staven; ook het laatste jaarhonderd is daarvan een getuige te meer. Dat tijdvak toch is voor mijnen Bijbel niet al te goed geweest. Vreeselijke stormen en orkanen, o gij, woudkoning in den vreemde, gij machtige zamang-boom! zullen in den loop van die zestig jaren, van

Sluiten