Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de hoogte geheven, en riep mijn mond met de menigte mede: „Leve Willem II! Hoezee!"

En Willem II? Hij was ouder geworden. Zijne edele gestalte was meer gebogen, dan toen ik haar voor de muren van Leuven onder de lauweren der overwinning aanschouwde; de verloopen jaren hadden hun strijd en hun leed in rimpelen op zijn voorhoofd aangeschreven. Maar nog altijd zweefde over zijn voorkomen de adel van eenen Vorst; nog altijd drukte zijn gelaat de gelijkenis van een Oranje uit; nog altijd zweefde om zijne lippen de vriendelijke glimlach van een geslacht, welks gemeenzaamheid dieper grond heeft dan de populariteit van een burgerkoning. Ik verhaal u niet, wat bij de begroeting van den Vorst voorviel: het ontleende zijne grootste belangrijkheid aan de gezindheid der aanwezigen, aan het jubelend hart der menigte en den dankbaren blik van den Koning. En toch was het, alsof de Vorst op mijne gepeinzen antwoordde, toen hij na de opgeruimde herinnering aan den veldtocht, dien het gezicht van het metalen kruis hem voor den geest riep, op eens, als schoot er een wolk voor dat licht, op veelbeteekenden toon uitviel: „Wat is dat lang geleden !" — Lang geleden, had ik willen zeggen, lang geleden, mijn Vorst! maar niet zoo lang, of nog klopt bij die herinnering uwen ouden wapenbroeder het hart; lang geleden, maar niet zoo lang, of nog heeft de liefde van velen hunner de moeielijke jaren overleefd, die tusschen dien en dezen derden Augustus in liggen; lang geleden, maar moge het nog lang en zeer lang zijn, eer de gedachtenis daaraan ophoudt uw koninklijk hart te doen kloppen! Leve Willem II! — maar eerbied, en misschien ook nog eene andere gewaarwording, sloot den mond. Nog eenige woorden van hulde en trouw van de eene zijde, van dankzegging en welbehagen van de andere — en daar reed hij heen. De Koning was gekomen. Daar reed hij heen, en liet ons na? Eenige vervallen bogen en kransen, eenige verlepte en verdorde bloemen en blaren, eenige woorden met den wind weggewaaid, eenige kreten in de lucht verstorven! — Neen, wie zoo spreken mag, ik niet. Daar reed hij heen, zeg ik, en liet ons na: de herinnering eener liefelijke en wei-aangename verschijning; de verlevendiging van het beeld eens Vorsten, aan wiens aanblik zich de schoonste vaderlandsche herinneringen van het levend geslacht verbinden; de verwarming onzer liefde voor den Koning, dien

Sluiten