Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet in zijn huis besluiten: de geheele stad moet getuige van zijn blijdschap zijn. Daar wordt de kroon, die reeds lang te voren klaargemaakt, met frisch groen en goud bekranst, en van binnen met een nieuw opgeschilderde houten haring versierd was, naar buiten gebracht en opgehangen. Zie, hoe zij in de zon glimt en blinkt. Hoor, hoe zij door den wind bewogen, ratelt en klatert Het is of zij ons met al die gouden tongetjes toeroept: Nieuwe haring! Nieuwe haring!

Wat heerscht er nu bij den haringkooper eene beweging en drukte! Op de advertentie in de couranten geplaatst: „Nieuwe groene haring te bekomen bij Van der Zout," komen van alle kanten brieven en bood schappen aan. Hij weet nauwelijks hoe al de liefhebbers te helpen. De eerstelingen worden, half in het geheim aan de beste vrienden (klanten) toegestoken. Voor de kleinigheid van een daalder hebben zij 't eerste vischje. Maar welhaast stroomt de haringvloed met onbekrompen ruimte. Dan gelijkt de winkel van Van der Zout op een pakhuis. Het versche zeebanket wordt, in dozijnen en halve dozijnen verdeeld, in grooter en kleiner vaatjes gekuipt. Onder die bezigheid komt de eene smulpaap voor, de andere na, eens hooren, „wat hij kost," om naar gelang daarvan bestellingen te doen. De nieuwe haringtijd is het Sinterklaasfeest der groote menschen. Hij is ook daarin aan het kinderfeest gelijk, dat hij de tijd van allerlei verrassingen is. Papa, die weet dat moeder veel van een versch harinkje houdt loopt, van de societeit naar huis gaande, even bij Van der Zout aan en fluistert hem iets in het oor, waarop hij lachende ja! knikt. Een oogenblik later komt een jonge klerk binnen, en geeft den naam van zijn patroon op, met verzoek om aan dat adres een half dozijntje te bezorgen. Intusschen staat een dame met ongeduld te wachten en roept, zoodra zij aan de beurt komt, met een vleiend stemmetje : „Van der Zout! zes aan de kostschool, je weet wel." En terwijl zij de deur uitgaat, wordt zij tegen het lijf geloopen door een langen jongen heer, die gewichtige geheimen met Van der Zout schijnt te hebben, daar hij, na eenigen tijd zacht met hem gesproken te hebben, met een blos op het gezicht heengaat, nog wel twee, driemalen herhalende: „je weet niet van wien ze komen, hoor!" waarop deze met een goedhartigen lach antwoordt: „neen mijnheer ! ik weet niets !" — Zie, zoo wordt dit zoute vischje in de hand der vriendschap, der dank-

Sluiten