is toegevoegd aan uw favorieten.

Waarheid en droomen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als gezonde arbeid ooit gemaakt heeft. En geen wonder. Zij hebben eene ruime en eerlijke broodwinning. Zij behooren zeker slechts tot de klasse der sjouwerlieden, maar zijn echter boven deze verheven. Zij behoeven niet op werk te wachten of er om te bedelen, gelijk deze, maar vinden iederen morgen hun taak en last gereed. Daarbij vormen zij onderling een gesloten college, een soort van gild. Nu zijn de patenten en de algemeene vrijheid, gelijkheid en broederschap, waarvan deze het uitvloeisel zijn, wel eene heerlijke uitvinding; maar niemand zal mij echter tegenspreken, dat daardoor het eigenaardige, het afgeronde en gemunte, in één woord, het typische van de verschillende standen in ons vaderland wel iets geleden heeft. O bakkers met uw witte slaapmutsen! O slagers met uw lange messen! O timmerbazen met uw gele voorschoten ! Waar zijt gij gebleven ? Neen, wij hebben geen rechte bakkers, slagers of timmerlieden meer. Wij hebben lieden, die bakken, slachten en timmeren: maar het bakkersvoorkomen, de bakkersgeest, het bakkershart, dit alles is met de witte slaapmuts verdwenen. Eere daarom den Zakkendragers, die nog iets van het genootschappelijke federatieve hebben behouden, dat vroeger den grondslag van onze staats- en maatschappelijke huishouding uitmaakte. Zij vormen een soort van broederschap, die hen met een zweem van esprit de corps bezielt, dien zij ook door het dragen van een ordeteeken zoeken aan den dag te leggen. Men heeft hen alleen te zien loopen, gelijk zij naar werk gaan of daarvan terugkeeren, met den linnen zak bevallig over het hoofd geslagen, om in hen den zakkendrager te herkennen. Wat hun echter nog meer gewichtigheid bijzet is het gevoel, dat zij min of meer tot de stadsambtenaren behooren, en dus als verre planeten in de zonnebaan der burgemeesterskamer wentelen. Zij zijn dan ook het college, dat bij hooge gelegenheden de lagere standen vertegenwoordigt: zij hebben het privilegie om de paarden van 's Konings koets te spannen en den kostelijksten aller lasten te trekken. Het gebeurt hun dan ook niet zelden, dat het koninklijke oog, met voorbijgang van anderen die zich verbeelden hooger te staan, op hen afdaalt. Zoo wierp het feest, op den laatsten oudejaarsavond, door Z. M. aan de Haagsche turf- en zakkendragers gegeven, op al hun ambtgenooten een weerschijn van eer en aanzien, dat hen den zak nog fierder dan anders over het hoofd doet dragen. Men zegt dan ook, dat op dien