Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Gids van 1837, naar aanleiding van den dood en de begrafenis der beminnelijke koningin Wilhelmina, gemalin van onzen eersten konirg uit het Oranjehuis Willem I, de zuster van Willem Frederik III, de schoonzuster van de heerlijke koningin Louise heldhaftiger gedachtenis.

Ik voelde op deze vorstin te meer betrekking omdat, gelijk ik reeds elders vermeldde '), zij indertijd ook een begunstigster was van mijn lieve grootmoeder Kleyn-Ockerse; maar ook buiten dat was zij de lieveling des ganschen volks, een vrouw, die in haar rijk leven vele tranen gedroogd heeft, maar niet maken kon dat de tranen, die haar dood vergieten deed, even spoedig droogden als die der armen, door haar zoo vaak beweldadigd, geholpen en getroost.

Het tweede stuk droeg den titel: De Koning komt (3 Augustus 1842). Het werd opgesteld op verzoek van mijn vriend Frijlink, stichter, uitgever en redacteur van het Leeskabinet, een tijdschrift dat zich in het leger in de krijgsjaren van 1830 en 1831 vele vrienden gemaakt en ook mij in die langwijlige dagen menig vervelend uur op wacht of elders gesleten, aangenaam gekort had. Het werd geschreven te Heiloo waar ik toen mijn verblijf hield in de pastorie, eene woning, die op den tijd, waarin ik mij nu verplaats, behalve met het groen der rondom staande iepeboomen, met kransen van versch geplukt sparregroen en van bonte hooggekleurde najaarsbloemen feestelijk versierd was, waartoe alle handen hadden moeten medewerken, ook die — och! verdraag den ouden man, den bejaarden praatvaar, in zijn snapzucht een weinig! ook die van mijn vriend den dichter Jacob van Lennep, die toen toevallig onder mijn dak mijn gast was, en met al zijn hart, dat voor Oranje niet minder warm klopte dan het mijne, bij onze ijverige toebereidselen voor het feest ons met raad trouw mede hielp

En waartoe nu die buitengewone versiering? — Koning Willem II bracht na zijne troonsbeklimming een bezoek aan sommige streken des lands, bij het bezoek aan Alkmaar lag ook Heiloo op den weg en aan de beurt, en moest ik hem komplimenteeren — in welke betrekking, meent gij ? als predikant ? neen, als Burgemeester!

Als Burgemeester!

*) Z jEen dichter-album van voor honderd jaren, bl. 57.

Sluiten