is toegevoegd aan uw favorieten.

Model-akten van den Burgerlijken Stand

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan dat geval is gedacht bij de artt. 92, 94, 95 en 97 B. W. ten aanzien van minderjarigen. De praktijk rekent ook tot dat geval de onbekendheid van bestaan of verblijf van ouders van meerderjarigen, bij artt. 99 en 104 B. W.

Zooals reeds werd opgemerkt bepaalt de wet niet dat en op welke wijze de hierboven bedoelde afwezigheid moet bewezen worden. De A. v. d. B. S. heeft hier dus vrijheid van handelen. Als hem de onmogelijkheid van wilsverklaring voldoende aannemelijk wordt gemaakt, kan hij volstaan met die omstandigheid, bij wijze van toelichting waarom geen beroep, woonplaats enz., is ingevuld, te vermelden.

Mets belet echter den A. v. d. B. S. om, indien hij zulks gewenscht acht, de onmogelijkheid van wilsverklaring op de door hem gekozen wijze, b.v. door aflegging van eene al of niet beëedigde verklaring, te doen bevestigen.

Van het afleggen dier verklaring behoeft echter in de huwelijksakte niets vermeld te worden, hoewel de Commissie er geen strijd met art. 17 B. W. in ziet, dat de bedoelde verklaring, die veel overeenkomst heeft met de verklaring volgens art. 128 B. W., icel in de huwelijksakte worde opgenomen. Men vatte art. 17 B. W. niet te eng op. Hierbij valt nog op te merken dat sommige Kantonrechters, ook in het geval dat ouders van meerderjarigen niet te vinden zijn, overeenkomstig art. 100 B. W. hunne tusschenkomst verleenen. Naar het oordeel der Commissie is voor dat geval art. 99 al. 2 B. W. niet geschreven. Verleent echter de Kantonrechter zijne tusschenkomst, dan zouden er termen kunnen zijn het proces-verbaal der non-comparitie van den afwezige te doen dienen als bewijs, dat de bedoelde ouder in de onmogelijkheid is zijn wil te verklaren, zoodat verdere bewijslevering of verklaring achterwege blijven.

12". Er bestaat verschil van gevoelen over de vraag of indien een huwelijk moet worden afgekondigd in gemeenten, welke niet in hetzelfde Arrondissement eener Rechtbank zijn gelegen, dispensatie van de tweede afkondiging moet worden verleend door de Officieren van Justitie bij de Rechtbanken waaronder die gemeenten ressorteeren, of wel slechts door den Officier van Justitie bij de Rechtbank waartoe de gemeente behoort waar de huwelijksaangifte is geschied. Daar veelal de vraag in laatstgemeiden zin wordt beantwoord, heeft de Commissie met dat gevoelen rekening gehouden.

13o. In overeenstemming met de gevestigde jurisprudentie van den H. R., neemt de Commissie aan dat de termijn van 300 dagen, bedoeld in art. 91 B. W., aanvangt op den dag, volgende op dien, waarop het vonnis, genoemd in art. 254 no. 3, en de echtscheiding, genoemd in art. 254 no. 4, in de registers van den burgerlijken stand is ingeschreven.

14°. Huwelijksakten nos. 8, 10, 11 en 12 betreffen huwelijken van erkende natuurlijke kinderen.

Veelal wordt in zulke gevallen, voor de beoordeeling van den persoonlijken staat van het kind, genoegen genomen met eene geboorteakte waarop de kantmelding deierkenning voorkomt. Juister is het ook een uittreksel uit de akte van erkenning te vorderen, ofschoon toegegeven wordt dat art. 126, no. 1, B. W. daartoe geene aanleiding geeft.

15°. Het verdient aanbeveling om, behalve van de wettelijk voorgeschreven stukken, ook van die overgelegde stukken in de akten melding te maken, welke strekken kunnen om een duidelijk beeld te geven van het geval, in de akte behandeld. Zonder die vermelding toch is het veelal onmogelijk den inhoud van vele akten te begrijpen indien men de overgelegde stukken niet voorhanden heeft. Evenmin is dan te beoordeelen, of aan de wettelijke bepalingen behoorlijk is voldaan. Art. 17 B. W. levert hiertegen geen bezwaar op.

16°. Ten slotte zij gewezen op het arrest van den Hoogen Raad van 21 December 1906 (W. v. h. R. n°. 8473) waarbij (in overeenstemming met het gevoelen, geuit op pag. 4, sub n°. 5), is beslist, dat zij, die persoonlijk bij de huwelijksakte toestemming tot