is toegevoegd aan uw favorieten.

Verslag der commissie voor de post- en telegraafkantoren ten platten lande, ingesteld bij beschikking van Z. E. den Min. v. Waterst. dd 17 jan. 1908 no. 230

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uit den aard der zaak is het verschil in grootte en zielental tusschen plaatsen, waar b.v. kantoren der 5de en 6de klasse gevonden worden, vaak gering en kunnen allerlei toevallige omstandigheden invloed op de rangschikking in de klassen oefenen.

Het onderzoek is dus bepaald tot de kantoren der 6de, 7de en 8ste klasse en er mag aangenomen worden, dat hetgeen ten opzichte van deze kantoren in hetgeen volgt wordt gezegd, in de overgroote meerderheid der gevallen op alle kantoren dier klassen toepasselijk is.

Oferwepingr der greuite klachten.

Voor de beoordeeling van de geuite klachten over de stijging der bouwkosten van post- en telegraafgebouwen werden zoo nauwkeurig mogelijke gegevens verzameld omtrent de kosten, de grootte en de inrichting van alle sinds het jaar 1898 tot en met het jaar 1907 van Rijkswege gestichte of verbouwde kantoren der 6de, 7de en 8ste klasse. Deze gegevens zijn bijeengebracht in de staten als bijlagen B en C aan dit Verslag toegevoegd.

Uit den staat B blijkt wel, dat langzamerhand de kosten van den bouw van kantoren gesticht in plaatsen, die als van gelijken aard en van gelijke beteekenis kunnen worden aangemerkt, niet onbelangrijk zijn toegenomen.

Bij de beschouwing van dien staat valt het op, dat de negen kantoren, die in de jaren 1898 tot en met 1900 gebouwd werden, gemiddeld ongeveer f 20180 en allen minder dan f 21000 kostten, doch dat na het jaar 1900 slechts één enkel kantoor voor minder dan laatstgenoemd bedrag werd gebouwd. Xa het jaar 1900 tot en met het jaar 1904 bedraagt de gemiddelde bouwsom over dertien kantoren ongeveer f 23 500; van het jaar 1904 tot en met het jaar 1907 is dat gemiddelde over veertien kantoren ongeveer f 26000, terwijl in laatstbedoeld tijdvak bouwsommen van f 29000, zelfs eene van ruim f 32 000, voorkwamen. De vergelijking van de gemiddelde bouwkosten in het eerste en laatste tijdperk, toont eene toeneming van 80 tot 40 pet., welke inderdaad niet gering is te noemen.

Hiermede gaat, voornamelijk wat het tijdvak van het jaar 1905 tot en met het jaar 1907 betreft, eene toeneming van de oppervlakten, door de gebouwen ingenomen, gepaard: immers over de jaren 1898 tot en met 1900 is het gemiddelde van dat oppervlak 216 M2., over de jaren 1901 tot en met 1904, 218 M2., terwijl over de jaren 1905 tot en met 1907 daarvoor een getal van 265 M2. gevonden wordt. Daaruit mag worden afgeleid, dat de hoogere bouwkosten althans ten deele veroorzaakt zijn door de grootere uitbreiding in den lateren tijd aan de localiteiten gegeven.

Van de 17, in de bijlage B vermelde, gebouwen, welke vóór het jaar 1904 zijn gesticht, heeft geen enkel een kantoorlokaal van meer dan 59 M2., terwijl van de 19 na dat jaar gestichte, er 5 een kantoorlokaal van 63—66 M2. hebben en één zelfs voor dat lokaal eene oppervlakte van 88 M2. vertoont. Kantoorlokalen van minder dan 40 M2. komen er vóór het jaar 1904, vier, na dat jaar slechts één voor.

Ook bij de wachtkamers ziet men de grootste oppervlakte, n.1. die van 26 tot 29 M2. uitsluitend in kantoren, welke in de laatste jaren gebouwd zijn (Ede, Renkum en 's Graveland). Hiermede gaan ruime bestellerskamers gepaard en wel in de genoemde kantoren van 30 tot 39 M2. Vóór het jaar 1904 komt eene oppervlakte voor dit vertrek van meer dan 28 M2. niet voor; na dat jaar zijn er 9 kantoren, welke eene oppervlakte van 30 of meer M2. hebben.

Voor de telefoonkamers, welke vóór het jaar 1904 in het algemeen geen grooter oppervlakte dan 7 M2. vertoonen, worden bij enkele kantoren