Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

\an den laatsten tijd oppervlakten van 24 tot 28 M2. aangetroffen (Lemmer, Uitgeest en Renkumj.

In het algemeen blijkt uit de bijlage B, dat, zonder in het oog vallende redenen, aan de dienstlokalen van gelijksoortige kantoren sterk afwijkende afmetingen zijn gegeven.

Het volgende, aan die bijlage ontleende overzicht, geeft de grenzen aan, waaitusschen de afmetingen van de onderscheidene dienstlokalen en van de gebouwen in hun geheel beschouwd, afwisselen.

«de klasse, j 7de klasse. 8ste klasse.

Kantoorlokaal .... 4(5—88 M2. 32—66 M3. 44.5 51.5 M2.

*

Wachtkamer .... 11—29 „ 9—26 „ 12—26

Bestellerskamer . . , 20—31 „ 16—39 „ j 22.5—33

Telefoonkamer .... 4_i3 4—28 1 8—15

77 }) J)

Batterij kamer .... 2—7 n 6 15 „ 5 7

Los- en laadplaats. . . 9—15 „ 5 18 „ 8 10

Bebouwd terrein . . . 170—344 „ 157—321 „ 214—284 „

Het is moeilijk de oorzaken van deze groote verschillen op te sporen; toch schijnt eenige verklaring te vinden in de omstandigheid, dat gedurende de laatste 10 a 15 jaren afwisselende inzichten hebben bestaan omtrent de ruimte, welke, in verband met de steeds voortgaande uitbreiding van den post-, alsmede van den telefoondienst, vereischt zou worden, om te voorzien in de behoeften van eene meer of minder verwijderde toekomst, waarmede bij den bouw der kantoren rekening werd gehouden.

Ook heeft de onzekerheid, of in de toekomst de telefoondienst al of niet in zijn geheel tot de staatsbemoeiingen zou behooren, er aanleiding toe gege\ en, dat hier en daar bij den bouw van nieuwe kantoren op zoodanige ruimte voor dien dienst werd gerekend, dat te zijnen tijde ook de locale telefonie daarin kon worden ondergebracht.

Wellicht is mede in rekening te brengen het toegeven aan de neiging om met allerlei middelen de uitoefening van den dienst gemakkelijker en de inrichting van de gebouwen geriefelijker te maken.

Wat hiervan zij, intusschen staat vast, dat een en ander tot onnoodig ruime inrichtingen heeft geleid, welke, met het oog op de daaruit voortvloeiende opvoering van de bouwkosten, door het stellen van vaste normen voor de afmetingen der dienstlokalen, voor het vervolg behooren te worden vermeden.

De noodzakelijkheid om dergelijke normen aan te nemen, werd trouwens reeds vele jaren geleden ingezien; immers in de op bladz. 7 bedoelde aanschrijving van 28 Juni 1869, door den Minister van Financiën aan de postambtenaren gericht, werd o. m. medegedeeld, dat, ten einde een leiddraad aan de hand te geven, ten aanzien van de wijze, waarop een aan de eischen van den dienst beantwoordend postkantoor behoort te zijn ingericht, hun eene plattegrond-teekening van een postkantoor zou worden toegezonden, om bij voorkomende gelegenheden tot model te dienen.