Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geographische gesteldheid had ook haar nadeelen. De splitsing in tal van kleine staatjes maakte wel de grootste veelzijdigheid mogelijk, maar belette tevens de aaneensluiting van de natie tot een politieke eenheid en daardoor op den duur de handhaving van de onafhankelijkheid. Maar toch — hun land is voor de Grieken veel meer een voordeel dan een nadeel geweest. De natuurlijke gesteldheid schiep de hoogst gunstige voorwaarden, waaronder de rijke geest van het Grieksche volk zich kon ontwikkelen tot een ongekende volkomenheid. Want de, kiem, van het Oosten overgebracht, viel in vruchtbaren bodem; geen naburige groote machten beletten het opgroeien van die kiem tot een krachtigen, heerlijken boom.

Ongetwijfeld hebben de Grieken van het Noorden uit hun land bevolkt, Afkomst der

maar wanneer en hoe, is onbekend. Nog in historischen tijd komen volks- GHekeu'

\ei huizingen van het Noorden naar het Zuiden voor. In Epirus was Dodona

een overoud godsdienstig middelpunt, waar Zeus en Dione werden vereerd

en waar een hoog geacht orakel was gevestigd. Uit Epirus kwamen ook de

Thessaliërs. Vermoedelijk zijn de verschillende stammen ook in Griekenland

ambulant geweest, voordat zij hun in historischen tijd bekende woonplaatsen

hebben bezet. Het epos heeft nog tal van oude toestanden ons overgeleverd,

al kan ook hier niet alles worden aangenomen, wat Homerus voor waar wil

hebben aangezien. Vast staat, dat de Doriërs niet de oorspronkelijke bewoners

van den Peloponnesus zijn; in veel latere eeuwen beschouwden zij zich steeds als veroveraars.

Van de oudste beschaving der Grieken is slechts weinig met zekerheid Hu» bekend. Vermoedelijk zijn zij van oudsher nomaden geweest. Wijn is echter beschavingreeds vroeg verbouwd; eerst veel later komt de olijf daarbij. Landbouw ontwikkelde zich, naarmate de omstandigheden tot vaste woonplaatsen dwongen en het gebied bij een aangroeiende bevolking te eng werd voor het zwervende herdersleven. Naast veeteelt en jacht was oorlog en roof de voornaamste bezigheid van den vrijen man. Steden waren er nog zoo goed als

met; men woonde op hoeven. Absolute sociale gelijkheid bestond evenmin hier als ergens elders in overoude tijden.

Griekenland bood geen ruimte voor groote volkencomplexen. Vandaar, a e groote stammen, de Doriërs, de Aeoliërs en de Ioniërs, zich al spoedig p ssen in kleineie groepen. Ook hier is weer onophoudelijk afwisseling;

sommige stammen verbinden zich met andere; hier wordt een stam door een an eren onderworpen; daar splitst zich een groote in meer kleinere. Den e on s ag van al deze stammen vormt de heerban der vrijen. Aan haar hoofd aa een Koning, de opperste rechter en aanvoerder in den oorlog. Naast den S*aa*; een ^aad der Ouden. De macht van Koning en Raad is nog ;;a ' maar daarentegen vormt gewoonte en godsdienst een hechten band ussc en de vrije mannen; hun rechtsverhouding wordt daardoor geregeld.

gemeenschappelijke maal, dat tegelijk een offer is, de bloedwraak en

Sluiten