Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DERDE HOOFDSTUK.

De zevende en de zesde eeuw vóór Christus,

n de zevende eeuw is het Grieksche volk een der toon-De Grieken. ^Éfll ^evenc^e machten in de wereld geworden. Zijn gebied strekt

z*c^ van verste kusten der Zwarte Zee tot Sicilië (ftyiïj'ÊL 6n ^amPan^' van Thracië tot de Afrikaansche kust. Als I -^U^ni handelsvolk zijn de Grieken in de plaats van de Phoeniciërs

1 getreden. De Middellandsche Zee bevaren zij met hun

handelsvloten. Zij zijn de bemiddelaars tusschen Oost en West, de vrachtvaarders van de toenmalige wereld. Vroeger ongekende rijkdommen worden gewonnen en ten toon gespreid. Het volk had bovendien in taal, poëzie en godsdienst de nationale eenheid gevonden, die het staatkundig onthouden bleef. In dezen tijd wordt de naam Hellenen, afkomstig uit

Hellas in Zuid-Thessalië, de gemeenschappelijke volksnaam; wie daartoe niet behooren, zijn barbaren.

Maar ook de handel brengt de Grieksche stammen tot elkander. Hun uitgestrekt gebied heeft gemeenschappelijke belangen. Die belangen worden \ aangerand en moeten worden verdedigd; zoo noopt de handel tot de vorming > van een oorlogsvloot. Maar men bestrijdt toch vooral elkander. Handelssteden /

zijn steeds elkanders mededingers en zien zelfs stamverwantschap voorbij.

Connthe ligt overhoop met Argos en Megara, maar verbindt zich met Samos en Chalcis.^Milete is nauw verbonden met Sybaris. Chios, Teos en Mitylene,

vooral Phofcaea worden bloeiende handelssteden; Aegina wordt door haar gunstige ligging een handelsmetropool, een hoofdmarkt voor de Grieken. Industrie en handel maken de Aegineten tot de rijkste kooplieden van Griekenland.

ijn opkomst dankte Aegina aan den verwoeden krijg tusschen Chalcis en l^retria in de zevende eeuw.

Ook in den Peloponnesus heerscht strijd. In de zevende eeuw deden de

Sluiten