Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was geen sprake; daardoor kon ook de Ionische philosophie en haar geestelijk

geslacht te Athene geen bereiden bodem vinden. Zelfs Anaxagoras vond

slechts weinige, zij het dan ook uitnemende leerlingen. De technische en

exacte wetenschappen werden weinig beoefend; men had er geen belang-

stelling \ ooi; van de natuur om zich heen gaf men zich geen rekenschap.

Meer aandacht schonk men aan de Ionische rationalistische verklaring van

de oude mythen en sagen; deze werden meer geloofwaardig naarmate zij

minder wonderbaarlijk waren; zoo kon men aan de goden blijven gelooven

zonder tot bijgeloof te vervallen. Op dit standpunt staan b. v. Herodotus en ook Sophocles.

De twijfel. Maar dit geloof is niet bestand tegen twijfel. Het leven is niet zoo eenvoudig en harmonisch als de naïeve mensch meent. Wanneer men het onderzoekt, stuit men overal op de moeilijkste problemen. Ook Athene ontkwam niet aan den twijfel, die het geloof altijd op den voet volgt. De viije discussie werkte dat natuurlijk in de hand; de critiek begon ook het kntiekste te onderzoeken. Deze twijfel openbaarde zich op ieder gebied. De democratie bleek gebreken te hebben; maar ten slotte was toch geen regeeringsvorm vlekkeloos. Was de staat dus de volle toewijding van den burger wel waard? De zedewet wordt dikwijls geschonden, zonder dat de zondaars hun verdiende straf ontvangen; daarentegen lijden de rechtvaardigen last. Wat beteekenen alzoo de zedelijke geboden, wanneer de goden de ondeugd en niet de deugd beloonen? Is er wel een absolute zedewet? Andere volken, andere, tijden, andere zeden; de zedewet is dus een zuiver menschelijke vinding, de wil van den sterkste, die geen zedelijken inhoud heeft en waaraan men dus niet gebonden is. Het persoonlijk inzicht wordt zoo het richtsnoer voor leven en moraal. Ook op godsdienstig gebied breekt zich de twijfel baan. Hebben de orakels zich nooit vergist? Zijn alle voorspellingen uitgekomen? En zoo dit godsspraken zijn, zijn de goden dan alwetend? Men gaat verder; men twijfelt aan de eeuwige gerechtigheid der goden, of liever men is overtuigd, dat de goden dikwijls willens en wetens kwaad doen. Daarom wordt de mensch door de goden vervolgd. Daarom is niemand gelukkig vóór zijn dood; het leven is slechts moeite en last. Heeft het dan echter nog zin de goden te eeren en hun geboden op te volgen? Besturen echter de goden de wereld of staat boven hen nog een onverbiddelijk noodlot? Is men ook aan slechte goden — want zulke zijn er — vereering verschuldigd? In deze slingeringen van twijfel komt de mensch weer terug tot zich zelf; in zijn eigen peisoonlijkheid vindt hij de kracht het leven te aanvaarden en te doorstrijden. Het individu krijgt dan ook nietteg( nstaande de nivelleerende democratie hoe langer hoe meer beteekenis. Had Aeschylus nog de traditioneele figuren van liet epos ten tooneele gebracht, bij Sophocles wordt de karakterteekening steeds scherper en fijner; geen helden uit een onbekenden voortijd, maar zijn eigen tijdgenooten stelt Sophocles onder de oude namen zijn toeschouwers

Sluiten