is toegevoegd aan uw favorieten.

Algemeene geschiedenis

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan te gaan, paarde Hannibal het militair genie, dat voor zulk een stout bestaan vereischt werd. Hij was een virtuoos in de kunst van oorlogvoeren; zijne meesterhand onttokkelde aan het voortreffelijk instrument, waartoe zijn leger in den Spaanschen oorlog was geschoold, de hoogste verrichtingen, waartoe het in staat was. Het vertrouwen en de bewondering van zijne soldaten verwierf hij door de zekerheid, waarmede hij hen ter overwinning leidde; hij won hun hart door alle ontberingen van het krijgsmansleven met hen te deelen. Hij kende de politieke kaart der toenmalige wereld en berekende daarnaar zijne kansen van slagen; zijn scherpe blik merkte alle voegen in het harnas van zijn tegenstander op; van eiken naijver, dien Rome's snel gewassen macht had verwekt, van eiken haat, dien Rome's brutaal geweld had gekweekt, berekende hij de diensten, die zij aan Carthago's zaak konden bewijzen. Zijn oorlogsplan was een grootsche conceptie, langzaam gerijpt, met bliksemsnelheid ten uitvoer gebracht.

In de drie jaren, gedurende welke Hannibal het bevel in Spanje voerde, breidde hij Carthago's macht tot aan de Ebro uit. Verder mocht hij niet gaan. Reeds toen Hasdrubal nog in leven was, had Rome zich verontrust over het voortdringen van de Carthagers en bedongen, dat de Ebro niet zou worden overschreden. In 226 had het die belofte verkregen; maar destijds ontbrak er nog veel aan, dat alle Iberische stammen ten Zuiden der Ebro Carthago's oppermacht erkenden; eerst Hannibal maakte dat tot Hannibal den feitelijken toestand. De eenige stad, die hem nog weerstond, was beleg voor Saguntum; toen hij haar zou aanvallen, lieten de Romeinen hem weten, Saguntum, ^at zij dit verboden, daar zij Saguntum onder hunne bescherming hadden genomen. Dat was in strijd met de afspraak van 226, want Saguntum lag nog iets ten Zuiden van de Ebro; maar Rome was jaloersch op den snellen aanwas van de Carthaagsche macht en voelde zich, nu de Galliërs van Noord-Italië zooeven onderworpen waren, mans genoeg om een hoogen toon aan te slaan. In overleg met de Carthaagsche regeering bekommerde Hannibal zich niet om het verbod; na een beleg van acht maanden viel Saguntum in 218 in zijne handen. Toen eischte Rome de uitlevering van Hannibal; die eisch werd geweigerd; Carthago nam den oorlog, dien Rome aanbood, aan.

Van twee kanten wilden de Romeinen den vijand aanvallen: in Spanje en in Africa. Aan het hoofd van het leger, dat naar Spanje zou gaan, stond de consul P. Cornelius Scipio; hij nam zijn weg over Massilia, dat den Romeinen goedgezind was; toen hij daar aankwam, vernam hij dat Hannibal reeds op weg naar Italië was. Terstond keerde hij daarop naar Noord-Italië terug; een deel van zijn leger onder zijn broeder Cnaeus zette den tocht naar Spanje voort. Ook de consul Tib. Sempronius, die op Sicilië bezig was alles voor te bereiden voor een overtocht naar Africa, werd op de tijding van Hannibal's nadering naar Italië teruggeroepen.