Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rechterlijke uitspraak van den Senaat en berustte in die uitspraak, al luidde zij ook voortdurend ten gunste van Massinissa. Zoolang het maar eenigszins mogelijk was, wilde men alles vermijden, wat Rome aanleiding kon geven tot een nieuwen oorlog.

In Rome waren het vooral de groothandelaars, die het er op aanstuurden om Carthago ten val te brengen, ten einde zich van zijn mededinging te ontslaan. Zij vonden steuu bij M. Porcius Cato, die in 153 deel had uitgemaakt van een gezantschap naar Carthago en zich toen met eigen oogen had overtuigd van den handelsbloei en het opgewekte leven, die daar heerschten. Toen vormde zich bij hem de overtuiging, dat de toekomst van Rome niet verzekerd was, zoolang Carthago bestond; bij elke gelegenheid sprak hij voortaan in den Senaat als zijne meening uit, dat Carthago moest worden vernietigd. De meerderheid van den Senaat deelde die meening, maar zij wenschte geen oorlog te beginnen zonder een gerechtvaardigde reden.

Zulk een reden werd haar verschaft. In Carthago kwam een partij aan het roer, die niet langer de willekeur van Massinissa wilde verdragen en hem, kon het niet anders, met de wapenen wilde tegengaan. Toen de koning van Numidië opnieuw een stuk Carthaagsch gebied bezette, deed Carthago hem den oorlog aan.

Derde Puni- Hiermede had de Senaat de gewenschte aanleiding gekregen om tegen

^149-146°^ Carthago op te treden. Terstond verklaarde hij aan Carthago den oorlog, omdat het de vredesbepalingen had geschonden; de beide consuls van het jaar 149 staken met een sterke legermacht naar Africa over. Bij de nadering der Romeinen ontzonk de stad de moed; zij verklaarde zich bereid alle voorwaarden aan te nemen, die de Senaat haar zou opleggen. Haar werd medegedeeld, dat zij driehonderd gijzelaars moest uitleveren: het geschiedde. Daarop volgde het bevel om alle weermiddelen uit te leveren; ook dit bevel werd gehoorzaamd. Toen maakten de consuls bekend, dat de Senaat nog een derde voorwaarde had gesteld: Carthago moest worden verwoest; de burgers konden hunne stad weder opbouwen drie uren landwaarts in. Zoodra de Carthagers deze voorwaarde vernamen, waarvan de vervulling gelijk stond met den ondergang hunner stad, ontstaken zij in woede; de overbrengers der onheilsboodschap werden gedood, alle in de stad vertoevende Italianen vermoord. Alle burgers, zonder onderscheid van rang of leeftijd, sloegen de hand aan het werk om de stad tot het uiterste te helpen verdedigen; haar ligging was van nature reeds sterk; door geweldige muren en versterkingsliniën werd zij bovendien nog bevestigd.

Twee jaren lang hebben de Romeinen Carthago te land en ter zee belegerd, zonder dat zij noemenswaardige vorderingen maakten. Hun bondgenoot Massinissa overleed in het begin van den oorlog; zijn rijk werd onder zijne drie zonen verdeeld, die aan de Romeinsche belegeringstroepen hulp verleenden; desondanks mislukten de aanslagen van de Romeinen ; zij

Sluiten