is toegevoegd aan uw favorieten.

Algemeene geschiedenis

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het kerkelijk dogma zijn de geschriften van Augustinus van de grootste beteekenis; confessio- hij is de grondlegger van de leer der erfzonde en der praedestinatie. Het meest gelezene zijner werken is de „Confessiones" (Bekentenissen), waarin hij de geschiedenis van zijn innerlijk leven heeft blootgelegd; het belangrijkste de Decivitate 22 boeken „De civitate Dei" (Over den Gods-staat). De grondgedachte van dit werk is de meening, dat de wereld te verdeelen is in twee staten: den staat des duivels, die na den zondenval zich over de aarde heeft uitgebreid en in de groote wereldrijken van West-Azië en vervolgens in het Romeinsche rijk tot triumf is gekomen; en den staat Gods, door Christus op aarde nieuw gesticht en sedert vertegenwoordigd in de Christelijke kerk. De overwinning van die Kerk over den staat des duivels is het einddoel der geschiedenis; nog eens zal de duivel een laatste poging doen om den staat Gods ten onder te brengen', maar de Kerk zal overwinnen en op den dag van het jongste gericht zullen de kinderen Gods ter eeuwige zaligheid worden geroepen, de kinderen der zonde de eeuwige verdoemenis ingaan. Deze beschouwing der menschelijke geschiedenis is de prototype van de philosophie der geschiedenis, die in de middeleeuwen door de Katholieke Kerk tot de heerschende is gemaakt.

Van de oudste tijden af zijn er in de Christelijke kerk secten geweest, Arms en die elkaar met meer of minder heftigheid hebben bestreden; in het eerste Athanasius. kwartaai <jer vjercie eeuw ontstond tusschen twee Alexandrijnsche geestelijken, Arius en Athanasius, een verschil, dat tot een langdurigen strijd aanleiding heeft gegeven. Arius verkondigde dat de natuur van Christus, den Zoon, een andere was dan die van God, den Vader; Athanasius verdedigde de leer der Het concilie Drieëenheid van Vader, Zoon en Heiligen Geest. Op het eerste oecumenische van^Nicat.i, (algemeene) concilie der Christelijke wereld, dat onder voorzitterschap van Constantijn den Groote in 325 bijeenkwam te Nicaea, in Bithynië, werd de leer van Arius met groote meerderheid als een kettersche leer verworpen en die van Athanasius als de orthodoxe (rechtzinnige) en katholieke (algemeene) aangenomen. Desniettemin bleef het Arianisme voortbestaan; de eerste Germaansche volkeren, tot wie de Christelijke leer door Ariaansche zendelingen werd gebracht, de Goten, Vandalen en Longobarden, bleven nog lang aan het Arianisme getrouw.