is toegevoegd aan uw favorieten.

Algemeene geschiedenis

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Lotharius f 855.

Lodewijk II, 855 -875. Karei II, 855 -863. Lotharius II, 855-869.

i I

I (

opvoeren en de weerlooze stad plunderden. Karei was lafhartig genoeg hun aftocht met een hooge geldsom te koopen: geen wonder, dat zij herhaaldelijk terugkwamen en zich gaarne lieten afkoopen. Door deze zwakheid kenmerkte zich ook 'sKonings binnenlandsch bestuur; vandaar dat steeds nieuwe opstanden f ———— ,.u. voorkwamen, die zijn gezag hoe langer

Grafsteen van Keizer Lotharius I. Naar een oude prent.

hoe meer verminderden^(Zelfs moest hij den jongen Pepijn als Koning van Aquitanië erkennen. Bretagne maakte zich onafhankelijk. Met zijn broeders leefde Karei in voortdurenden twist en het was slechts aan de gematigdheid van Lodewijk toe te schrijven, dat een oorlog werd vermeden. In 847 en 851 kwamen de drie broeders te Meersen bijeen, ten einde hun geschillen bij verdrag te regelen. Maar toen Karei zich daarna bij Lotharius aansloot, achtte Lodewijk dit een breuk van den eed van Straatsburg en nam hij gaarne de uitnoodiging der Aquitaniërs aan om als hun Koning op te treden; Pepijn was inmiddels gestorven. Wel gelukte het Karei ten slotte met de Aquitaniërs een verdrag te sluiten, waarbij hun een beperkte onafhankelijkheid werd verzekerd, maar de vrede tusschen Lodewijk en hem was voorgoed verbroken. Hun verbond werd bovendien overtollig, toen Lotharius in 855 stierf. Bij zijn dood verdeelde hij zijn rijk in drie deelen, zoodat Lodewijk II Italië met de Keizers-

1 _ TT* 1 TT TV . —

ivarei n öourgondie, Lothaïius II het Noordelijk gedeelte verkreeg. Met deze verdeeling begon voor het middelste der drie Karolingische rijken het tijdperk der volledige ontbinding. De krachtelooze Karei kon zich ternauwernood tegen den heerschzuchtigen Bour^ondischen adel handhaven. Lotharius II was geen onbekwaam man, maar verspilde zijn krachten in een bijna hopeloozen strijd met den Paus. Hij was gehuwd met Teutberga, maar had haar verstooten en haar plaats ingeruimd lan zijn minnares Waldrada. Hoezeer ook de Kerk veel door de vingers zag, lat was toch een te grove schending der eenvoudigste kerkelijke en moreele'