is toegevoegd aan uw favorieten.

Algemeene geschiedenis

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Fransche

cultuur.

%

Leenstelsel Ridderwezen

gingen. En deze machtige zou nog hooger stijgen. In 1153 scheepte hij zich in naar Engeland. Spoedig had hij zulk een aanhang om zich verzameld, dat Steven het geraden achtte met hem te onderhandelen. In 1154 erkende hij Hendrik als zijn opvolger; nog in hetzelfde jaar stierf hij en werd Hendrik II zonder verzet tot Koning van Engeland geproclameerd.

Door de macht der Plantagenets was Frankrijk gesplitst in twee deelen. Toch was het land feitelijk een eenheid: er was één volk, één beschaving. Wilde men ten opzichte van afstamming, taal en ook in karakter en aspiratiën een scheiding trekken, dan viel deze toch in het geheel niet samen met de Engelsch-Fransche grenslijn, maar doorsneed deze bijna loodrecht. Maar deze scheiding was ook niet zoo scherp, dat beide helften zich niet samen als één volk zouden hebben gevoeld. Het was dit volk, waaruit de idealen van reformatie der Kerk waren voortgesproten. Het was hier, dat Cluny was gesticht, dat in weinige jaren zijn denkbeelden aan Rome had geschonken en daardoor de Kerk had beheerscht. Het was in Frankrijk, dat Urbanus II zijn machtigen aanhang vond; het was hier, dat hij het volk ten strijde opriep tegen de ongeloovigen. Het waren in hoofdzaak Fransche ridders, die naar het Oosten waren getrokken en Jeruzalem hadden veroverd. Franschen waren de vorsten van de nieuwgestichte rijken; uit Frankrijk verkregen zij voortdurend steun. Een Franschman was de heilige Bernard, wiens weergalooze welsprekendheid het nogmaals gelukte de bloem der Fransche ridderschap zich het kruis op de schouders te doen hechten. Inderdaad, in de eerste helft der 12de eeuw was niet de Fransche staat, maar het Fransche volk de leidster der Europeesche beschaving.

In Frankrijk was het ook, dat door en tijdens de kruistochten het ridderwezen tot zijn hoogsten bloei geraakte. Dit was geheel gebaseerd op wat men gewoon is het leenstelsel te noemen. Wij wezen er vroeger op, dat hier niet van een stelsel, een door menschelijk vernuft uitgedachte regeling mag worden gesproken. Maar toch vertoont de maatschappij een eigenaardige trapsgewijze samenstelling. Aan het hoofd staat de souverein, de Koning; onder hem de leenmannen; onder deze weer achterleenmannen in vele geledingen, tot men steeds afdalende aankomt bij den heer van het dorp, die op zijn kasteel zijn landgoederen bestuurt en die hoorigen van verschillende formatie en beperkte vrijheid onder zich heeft. Wij zagen reeds, dat er uit de samenwoning van deze hoorigen dorpen zijn ontstaan, die langzamerhand onder de machtige bescherming van den Koning of ook van de Kerk of van hun heer zelf zelfstandige rechten verkrijgen en dus steden worden. Maar hiermede is dan ook tevens het feodale stelsel verbroken; voor de stad is daarin geen plaats meer.

Niettegenstaande de steden in aantal en macht toenamen, was de op zijn burchten gezeten adel nog machtig genoeg, vaak zelfs om den Koning den voet dwars te zetten. Hij vormt een gepriviligeerde klasse, afgescheiden van de rest der maatschappij; zij zijn krijgslieden, voor zoover uit hun midden niet de hooge geestelijkheid wordt gerecruteerd. Zij hebben den plicht den